|
Het geboortejaar van Frankrijk
is lastig vast te stellen. Het kan zijn 496, de
doop van Clovis, koning van de Franken. Of 987, de zalving van Hugues
Capet, grondlegger van de dynastie die negen eeuwen over het land heeft
geheerst. Of 1789, het jaar van de revolutie, wanneer Frankrijk zich
manifesteert als een natie binnen een reeds gevormde staat. Historici en
burgers zijn verdeeld over de oorsprong. De mogelijke keuzen geven aan dat
Frankrijk, net als een levend wezen, een langzame ontwikkeling heeft
gekend, en dat een groot aantal aspecten een rol hebben gespeeld bij de
vorming van zijn identiteit.
Het Frankrijk van de
antieke Oudheid en de Middeleeuwen lijkt nauwelijks op het land dat wij
kennen. Aan het eind van de XVe eeuw heeft het Capetingische gebied meer
weg van een bij elkaar geraapte archipel dan van het hedendaagse
Frankrijk. Niettemin zijn deze lange perioden essentieel geweest voor
het ontstaan van de structuur van de bevolking en de organisatie van het
grondgebied, want de ligging van de meeste steden en verbindingsroutes
stamt uit deze tijd. Deze stedelijke kernen en verkeersaders vormen de
basis voor een beginnend besef van territoriale verbondenheid. Zo krijgt
het Franse gebied gestalte, via oorlogen, annexaties, overdrachten,
erfenissen en huwelijken. In dit langdurige proces zijn enkele fases van
doorslaggevend belang geweest. Ten eerste de Romeinse overheersing, die
Gallië voorziet van steden en wegen en die met de verspreiding van het
Latijn het begin van een taalkundige eenheid tot stand brengt.
Vervolgens de Middeleeuwse expansie, die zorgt voor een wedergeboorte
van steden, een vermenigvuldiging van het aantal dorpen en de
ontwikkeling van de handel tussen de elfde en dertiende eeuw.
In deze lange
ontstaansgeschiedenis dienen ook de vermengingen van de volken te worden
vermeld. De prehistorische bevolkingskernen waarvan een groot aantal
plaatsen getuigen en sommigen, zoals Lascaux, wereldwijd bekend zijn,
hebben zich vermengd met Kelten, Mediterraanse volkeren, Grieken en
Romeinen, oorlogszuchtige nomaden uit de steppen zoals de Hunnen,
noordelijke en Germaanse volkeren, Vandalen, Suaven, Bourgondiërs,
Alamannen, Wisigothen, Franken en later de Arabieren en de Vikingen.
Deze volkeren zijn bijna volledig opgegaan in de smeltkroes van het
Frankrijk in wording, maar hebben in sommige regio’s deels de
oorsprong van de bevolking bepaald. In deze periode ontstaan onder het
gezag van de Capetingers de instellingen en het bestuur die zorgdragen
voor het beheer en de organisatie van het grondgebied, dat geleidelijk
opgebouwd wordt. De keuze van Parijs als hoofdstad is in dit opzicht
beslissend: als middelpunt van het grondgebied en de staat vormt speelt
deze stad een cruciale rol in de eenwording van Frankrijk.
De erfenis van de Revolutie en het
Keizerrijk
Met de revolutie van 1789 manifesteert Frankrijk zich als natie. Tijdens
het feest van de Federatie op 14 juli 1790 verklaren afgevaardigden uit
het hele land deel uit te maken van dezelfde nationale gemeenschap. Het
ideaal was destijds de vrijheid van een ieder in het respect van allen,
het recht van de volkeren op zelfbeschikking en instellingen om het
sociaal welzijn te garanderen…
Deze aspiraties, verwoord
in de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 26 augustus
1789, zijn het product van de XVIIIe eeuwse Verlichtingsfilosofie en
doordrenkt van de denkbeelden van auteurs als Montesquieu, die het
principe van de scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke
macht uiteenzet in L’Esprit des lois (1748), of van Jean-Jacques
Rousseau, die de begrippen politieke gelijkheid en volkssoevereintiteit
beschrijft in Du contrat social (1762). Deze teksten hebben overigens
ook de schrijvers van de Amerikaanse grondwet in 1787 sterk geïnspireerd.
De waarden die naar voren worden geschoven, worden beschouwd als
universeel en als de basis van de moderne democratie. Ze zullen trouwens
in de XIXe eeuw een grote weerklank hebben en de voortrekker zijn van de
grote nationale-bevrijdingsbewegingen, waarna ze grotendeels zullen
worden overgenomen in de Universele verklaring van de rechten van mens,
die de Verenigde Naties hebben aangenomen op 10 december 1948. Deze principes zullen
evenwel niet onmiddellijk worden verworven. Hoewel ze voor een
belangrijk deel zijn opgenomen in de eerste grondwet van 1791 en in nog
grotere mate in 1793, gaat er veel tijd, politieke strijd en sociale
onlust overheen voordat er sprake is van onvervreemdbare rechten. De
Eerste Republiek wordt uitgeroepen op 22 september 1792, maar de
democratische grondwet die in 1793 wordt opgesteld zal nooit worden
toegepast. De interne burgeroorlog en de strijd die op alle fronten
geleverd moet worden tegen de geallieerde Europese staten leiden tot de
totstandkoming van het Terreur-regime, dat ver verwijderd is geraakt van
de nobele principes van 1789. In juli 1794 wordt Robespierre geëxecuteerd.
In de periode daarna vormen de thermidoriaanse Conventie (1794-1795) en
het Directoire-regime (1795-1799) de aanloop tot de machtsgreep van
Napoleon Bonaparte, van 1799 tot 1804 Consul en daarna keizer van de
Fransen. De monarchie, afgeschaft in 1792, maakt plaats voor het
Keizerrijk, dat een totaal andere structuur en organisatie kent, maar
waarin de Fransen net als in het verleden weer onderdanen zijn, nadat ze
hebben kunnen proeven aan het staatsburgerschap.
Tijdens de oorlogen van de
Revolutie en het Keizerrijk heeft Frankrijk geprobeerd zijn principes en
bestuursmodel op te leggen aan een belangrijk deel van Europa, maar de
aanvankelijke wil om de “onderdrukte volkeren” te bevrijden
verandert al snel in veroveringen en annexaties. Het recht van volkeren
om over zichzelf te beschikken lijkt dan een wel heel vruchteloze
formule… Het Keizerrijk gaat in 1815 ten onder maar Frankrijk hervindt
niet de vrijheid en de democratie. De monarchie wordt in ere hersteld
door Lodewijk XVIII, die in 1824 wordt opgevolgd door Karel X. Na de
revolutionaire dagen van juli 1830 begint Louis-Philippe aan een 18 jaar
durende heerschappij. De Revolutie van 1848 luidt de Tweede Republiek in
die net als de Eerste uitmondt in een staatsgreep, die van
Lodewijk-Napoleon Bonaparte in 1851, waarna het Tweede Keizerrijk
(1852-1870) wordt uitgeroepen. Tijdens deze verschillende regimes is er
nauwelijks een beroep gedaan op het volk: tot 1848 wordt er gestemd
volgens het censuskiesrecht, voorbehouden aan een minderheid van de
bevolking, en de politieke expressie van de meerderheid beperkt zich
feitelijk tot enkele rebelse periodes die snel worden neergeslagen. Maar
achter deze politieke instabiliteit tekenen zich essentiële
veranderingen af die de basis vormen voor het moderne Frankrijk. Deze
zijn allereerst van territoriale en bestuurlijke aard. In 1789 was de
bestuurlijke eenheid van Frankrijk nog niet voltooid.Frankrijk was verdeeld in
diverse districten die in verschillende perioden waren onstaan en elkaar
overlapten. Een dergelijke complexiteit veroorzaakte traagheid en
bevoegdheidsconflicten en vormde een beperking voor een efficiënt
beheer van het land. Op dit vlak voltrekken de Revolutie en het
Keizerrijk de centralisatie waarmee een start was gemaakt tijdens het
Ancien Régime. In 1790 wordt het grondgebied verdeeld in departementen,
die op hun beurt worden onderverdeeld in kantons. Deze bestaan weer uit
gemeenten, die vandaag de dag nog steeds de stabiele lokale eenheden in
de leefruimte van de Fransen vormen. Bonaparte voltooit het systeem en
geeft het samenhang met de wet van 28 Pluviôse jaar VIII (17 februari
1800), die prefecten en burgermeesters aanstelt. Burgermeesters werden
destijds benoemd maar worden tegenwoordig gekozen.
De bestuurlijke districten
worden dus onderling gelijkgesteld, en dankzij de aanstelling van
personeel door middel van toelatingsexamens, maken de oude privileges
plaats voor de verdienste. In dezelfde tijd ontstaan de echte
overheidsdiensten en wordt de rol van de staat in de ruimtelijke
ordening van het grondgebied, het aanbrengen van infrastructuur en de
stedenbouwkunde versterkt. De zucht naar uniformiteit uit zich ook in de
zorg tot het opstellen van gemeenschappelijke normen en merktekens die
overal geldig zijn. Dit vertaalt zich niet alleen in het opstellen van
een burgerwetboek maar ook in een systematische cadastrage van het
grondbezit en in de keuze van het metrieke stelsel en de eenduidigheid
in maten en gewichten. Deze laatste beslissing is tegenwoordig
universeel.
De periode van de
Revolutie tot het Keizerrijk wordt ook gekenmerkt door een diepgaande
verandering van de economie en de samenleving. Hoewel de turbulente
gebeurtenissen tussen 1789 en 1815 Engeland een duidelijke economische
voorsprong hebben gegeven, breekt ook voor Frankrijk het industriële
tijdperk aan, met zijn steenkolenmijnen, stoommachine, moderne
smederijen, grote textielfabrieken en spoorwegen. Het Tweede Keizerrijk
is in dit opzicht een beslissende periode, vooral na 1860. De democratie
is geweken, het affairisme beleeft hoogtijdagen, het koloniale avontuur
dat in 1830 begon met de verovering van Algerije gaat onverminderd
voort, maar het land maakt tegelijkertijd een snelle en ingrijpende
evolutie door en groeit uit tot een moderne macht: ontwikkeling van de
industrie, oprichting van banken en grote warenhuizen die het moderne
distributiesysteem inluiden, herinrichting van de steden, aanzienlijke
uitbreiding van het spoorwegennet, herbebossingspolitiek en strijd tegen
de erosie…. Maar hoewel de economische bloei niet te ontkennen valt,
blijft de sociale vooruitgang achter. In deze eerste helft van de XIXe
eeuw zijn de levensomstandigheden zwaar en het proletariaat dat
opeengehoopt leeft in de industriesteden, lijdt bittere armoede.
1870-1914: het republikeinse
Frankrijk, crises en consolidatie
Na de Franse nederlaag tegen Duitsland in 1870 brengt de Derde Republiek
een periode van stabiliteit en consolidatie, ondanks de interne
turbulentie en de diepe sporen die de Eerste Wereldoorlog heeft
nagelaten.
Op 4 september 1870 wordt
de Republiek uitgeroepen en Adolphe Thiers wordt op 31 augustus 1871 de
eerste president, nadat de opstand van de Commune de Paris eind mei op
bloedige wijze is neergeslagen. Het regime kent een moeilijk begin maar
deze Republiek houdt stand tot 1940 en zal daarmee de meest duurzame van
alle republieken blijken te zijn. Thiers, aanvankelijk een monarchist,
schaart zich geleidelijk achter de republikeinse gedachte en tussen
februari en juli 1875 worden de wetgevende teksten aangenomen die de
organisatie en het functioneren van de macht bepalen. Maar het regime
wordt pas bekrachtigd na de verkiezingen van 14 en 28 oktober 1877,
waarbij de Kamer van afgevaardigden een republikeinse meerderheid
behaalt.
In de periode voor de
Eerste Wereldoorlog wordt het voortbestaan van de Republiek bedreigd
door twee zware crises: het boulangisme (1886-1889), die onvrede van
velerlei oorsprong bundelt en de parlementaire basis van het regime
bedreigt, en de affaire Dreyffus (1894-1899) die het antisemitisme in
Frankrijk en de scherpe verdeling van de maatschappij en de politieke
stromingen aan de oppervlakte brengt. De dreiging die deze crises teweeg
brengen voor de Republiek is des te groter omdat ze zich afspelen tegen
een achtergrond van heftige sociale en politieke spanningen:
arbeidersopstanden, gewelddadige acties van liga’s en politieke
partijen en botsingen tussen clericalen en anti-clericalen die in 1905
leiden tot de scheiding van kerk en staat. Overigens worden deze
spanningen verergerd door politieke en financiële schandalen en door
terroristische acties (de moord op president Sadi Carnot in 1894). Toch
zijn er belangrijke verworvenheden te constateren op sociaal en
institutioneel gebied en op het terrein van de openbare vrijheden.
De wetten van 1882 en 1885
voor het verplicht en gratis lager onderwijs worden gevolgd door de
wetten voor de persvrijheid (1881), vakbondsvrijheid (1884), de
regelgeving ten aanzien van vrouwen- en kinderarbeid (1892) en de
verenigingsvrijheid (1901). Ondanks conjuncturele crises zet de
modernisering van de economie door en Frankrijk is een van de
belangrijkste landen van de technologische en wetenschappelijke
vernieuwingen die tot de tweede industriële revolutie leiden. Tijdens
het Belle Epoque, aan de vooravond van de ‘Grote oorlog’, is de
Franse internationale uitstraling groot: Frankrijk beschikt over het
tweede koloniale imperium ter wereld, speelt een vooraanstaande rol in
de diplomatie en doet zich gelden als het lichtend voorbeeld van kunst
en cultuur.
1914-1945: van de ene oorlog naar de
andere
Tijdens de eerste jaren van de XXe eeuw nemen de internationale
spanningen in Europa toe; een groeiend nationalisme, versterkt door
regionale crises zoals die in Marokko en op de Balkan, mondt uit in
politieke, commerciële en koloniale spanningen tussen de verschillende
machten. Frankrijk heeft een Triple-Entente gevormd met Rusland
(overeenkomsten van 1893), dat geallieerd is met Servië en
Groot-Brittannië (door de Entente cordiale, getekend in 1904).
Tegenover dit blok heeft
zich de Triple Alliantie van de “centrale keizerrijken” Duitsland,
Oostenrijk-Hongarije en Italië gevormd, gesteund door het Ottomaanse
keizerrijk. De moord op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een
Serviër uit Bosnië, op 28 juni 1914 in Sarajevo, dat destijds onder
Oostenrijkse heerschappij viel, is de vonk die het vuur ontsteekt: de
Eerste Wereldoorlog breekt uit.
Op 3 augustus 1914 raakt
Frankrijk in oorlog met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, aan de zijde
van Groot-Brittannië en Rusland, waar later Italië en de Verenigde
Staten zich nog bij aansluiten. De Fransen komen als overwinnaar uit dit
vier jaar durende conflict maar de prijs is hoog, zo ook voor de andere
Europese staten die aan de oorlog hebben deelgenomen. Het noorden en het
oosten van het grondgebied zijn verwoest, de oorlogsinspanningen hebben
de schatkist en de nationale economie uitgeput en de in gang zijnde
sociale vooruitgang onderbroken. Maar de oorlog is vooral een
humanitaire ramp: bijna 1,5 miljoen jonge mannen zijn omgekomen, bijna
drie miljoen zijn gewond geraakt en het geboortecijfer is ingestort; een
demografische aderlating in een land waar de bevolkingsgroei toch al
danig was verzwakt.
De oorlog heeft de
oprichting van de Union sacrée van de politieke partijen rondom de
verdediging van de natie mogelijk gemaakt, een unie die wordt
gesymboliseerd door de sterke persoonlijkheid van Clémenceau, de
“Vader van de Overwinning”, die tot januari 1920 aan de macht is
gebleven. De politiek van de jaren ’20 wordt gedomineerd door rechtse
coalities, met uitzondering van het Cartel des Gauches, een unie van
socialisten en radicalen dat aan de macht is in de periode 1924-1926.
Sinds december 1920 en de oprichting van de communistische partij, is
socialistisch links verdeeld. De economische crisis van de jaren ’30,
de financiële en sociale problemen, de verslechtering van de
internationale situatie met de fascisten en de nazi’s die aan de macht
komen in resp. Italië en Duitsland verergeren de verdeeldheid in het
land en stimuleren de opkomst van een groot aantal anti-parlementaire,
nationalistische en conservatieve dan wel extreem-rechtse bewegingen die
zich organiseren in liga’s.
Door deze organisaties
neemt het aantal gewelddadige manifestaties toe, zoals die van 6
februari 1934, die weer een anti-fascistische alliantie van socialisten,
communisten en radicalen oproept. Daarmee is het Front Populaire
(Volksfront) een feit. De verenigde linkse partijen triomferen bij de
verkiezingen van 1936 en de regering van het Front Populaire met Léon
Blum aan het hoofd voert belangrijke hervormingen door: de 40-urige
werkweek, collectieve overeenkomsten, betaald verlof, de eerste
nationalisaties, wijziging van het statuut van de Banque de France.
Niettemin blijven de interne verdeeldheid en vooral de externe problemen
onopgelost. Nadat hij dacht te zijn ontsnapt aan de vijandigheden door
middel van de concessies die hij aan Hitler had gedaan in München in
1938, leidt de nieuwe minister-president Edouard Daladier het land aan
de zijde van de Britten de Tweede Wereldoorlog in (3 september 1939).
Frankrijk loopt door de
oorlog een dubbel trauma op, aan de ene kant door de snelle en
onverwachte nederlaag tegen het Duitse leger, maar aan de andere kant
ook door de collaboratie met de vijand, in het leven geroepen door de
Vichy-regering. Na het debacle van het leger bij de invasie van de
nazi’s in mei 1940 slaan miljoenen burgers op de vlucht. Op 22 juni
wordt de wapenstilstand getekend. Frankrijk wordt verdeeld in een
bezette en een vrije zone. De Derde Republiek valt uit elkaar; op 10
juli 1940 geeft het Parlement alle macht in handen van maarschalk Pétain,
de held van de Eerste Wereldoorlog. Pétain stelt in de voorlopige
hoofdstad Vichy een nieuw regime in, de Etat français, een persoonlijk,
autoritair en corporatistisch regime dat discriminerend is ten aanzien
van de joden, die in 1941 een speciale status opgelegd krijgen. Het
startsein voor de collaboratie met nazi-Duitsland is de ontmoeting van
Montoire tussen Pétain en Hitler op 24 oktober 1940, die het
Vichy-regime ertoe brengt de overwinnaars bijstand te bieden door middel
van steun aan de Duitse oorlogsinspanningen, een klopjacht op de
tegenstanders van het nazisme en uitlevering van de joden voor
deportatie. Het legioen van Franse vrijwilligers tegen het bolsjewisme
strijdt zelfs aan de zijde van de Duitse divisies op het oostfront. Maar
het Verzet dat vanaf de eerste dagen van de bezetting de kop opsteekt,
zal uitgroeien tot het nieuwe Frankrijk dat na de oorlog de leiding
neemt. 18 juni 1940 is de geboortedatum, wanneer generaal De Gaulle de
Fransen vanuit Londen oproept de strijd aan de zijde van de Geallieerden
voort te zetten. Een extern Verzet, bestaand uit de Forces françaises
libres (FFL, Vrije Franse strijdkrachten) en een Comité français de
libération nationale (Frans comité voor nationale bevrijding), vormt
zich daaromheen. Ook koloniale grondgebieden verenigen zich. In
Frankrijk ontwikkelt het aanvankelijk beperkte interne Verzet zich tot
een solide en georganiseerde organisatie. Het vormt netwerken die niet
alleen in het land acties voeren, maar met hun inlichtingendienst en
militaire steun tijdens de landing, ook waardevolle hulp bieden aan de
Geallieerden.
In Nood-Afrika, dat in
november 1942 wordt bevrijd door de Geallieerden, wordt een nieuw Frans
leger gevormd dat deelneemt aan de strijd. In het voorjaar van 1943
stimuleert Jean Moulin, de afgevaardigde van De Gaulle in het bezette
Frankrijk, de Conseil national de la résistance (CNR, Nationale
Verzetsraad) om de belangrijkste verzetsorganisaties te verenigen. De
Gaulle is op dat moment in Algiers gevestigd en brengt een voorlopige
regering op de been op basis van de CNR. Hoewel de rol van deze strijd
niet beslissend was in de geallieerde overwinning op de nazi’s, was
hij essentieel voor Frankrijk omdat hij de Engelsen, de Amerikanen en
later de Sovjets ervan heeft overtuigd dat Frankrijk een plaats diende
te krijgen in het kamp van de overwinnaars, in plaats van bezet te
worden bij de bevrijding, zoals men zou hebben gedaan met vijandig
grondgebied. Zo zal Frankrijk bij de capitulatieacte van Duitsland van 8
mei 1945 een volledig aandeel in de overwinning hebben. In deze
betekenis kan worden gesteld dat Frankrijk dankzij het Verzet, via de
persoon van De Gaulle, zijn plaats op het internationale toneel heeft
weten te behouden, ondanks de militaire nederlaag.
De reconstructie: 1945-1958
Twee oorlogen in dertig jaar vormen voor Frankrijk een periode van
beproevingen. Het verlies van mensenlevens is in de Tweede Wereldoorlog
(600.000) geringer dan in de Eerste, maar de materiële verliezen zijn
daarentegen veel zwaarder. Gevechten en bombardementen hebben steden,
fabrieken, bruggen, stations en spoorwegen verwoest. Daarbij komen de
verliezen als gevolg van de intensieve exploitatie door de bezetter.
Maar het land krabbelt weer op en toont een waar elan; de tijden zijn
zwaar maar met de terugkeer van de vrede is het vertrouwen in de
toekomst hersteld, zoals de krachtige demografische opleving van de
babyboom laat zien. En met de Amerikaanse hulp van het Marshall-plan kan
worden voorzien in het hoogst noodzakelijke.
Ondanks de moeilijke
situatie worden na 1945 noodmaatregelen getroffen: nationalisaties van
de sleutelbranches van de economie (energie, luchttransport,
depositobanken, verzekeringen) en de grote bedrijven (Renault),
oprichting van de Sécurité sociale (Sociale zekerheid),
ondernemingsraden en toepassing van een economische planning onder
verantwoordelijkheid van Jean Monnet. Maar de politieke machten die zijn
geboren uit het Verzet -communisten, christen-democraten en socialisten-
en die de voorlopige regering van De Gaulle steunen, raken al snel
verdeeld over de keuze van de instellingen en de grote economische
beslissingen. Het hoofd van het vrije Frankrijk verlaat ten slotte de
regering in januari 1946 en sticht in 1947 een nieuwe politieke partij,
de Rassemblement du peuple français (RPR). Er gaan twee Assemblées
constituantes (belast met het opstellen van een grondwet) en drie
referenda overheen voordat de grondwet van de Vierde Republiek wordt
aangenomen. Deze wordt op 27 oktober 1946 uitgeroepen en stelt een
almachtige Assemblée nationale (Nationale vergadering) en een president
met beperkte macht in. In januari 1947 wordt Vincent Auriol door het
Parlement gekozen tot President van de Republiek.
De politieke verdeeldheid wordt niet alleen veroorzaakt door de interne
problemen, maar ook door de Koude Oorlog en de dekolonisatie. Ondanks de
oppositie van de communisten bevestigt Frankrijk zijn atlantisme en
schaart het zich resoluut bij het westerse kamp. Frankrijk sluit zich
aan bij de in 1948 opgerichte Europese organisatie voor economische
samenwerking (EOES) voor de verdeling van de Amerikaanse steun en wordt
in april 1949 lid van de Atlantische alliantie (NAVO). Na de verdeling
van Duitsland geeft Frankrijk de voorkeur aan een
overeenstemmingspolitiek met de BRD die de basis zal vormen van de
Europese eenwording. Jean Monnet, Robert Schumann en Kanselier Konrad
Adenauer zijn de belangrijkste figuren in deze toenadering die in 1951
resulteert in de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en
Staal (EGKS). Deze eerste instelling zal de kern vormen van het verenigd
Europa. Frankrijk wijst een Europese Gemeenschap voor Defensie af omdat
Gaullisten en communisten zich verzetten tegen dat wat zij als een
verlies van nationale soevereiniteit beschouwden, maar speelt een
actieve rol in de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (of
gemeenschappelijke markt) die samen met het Verdrag van Rome op 25 maart
1957 het levenslicht aanschouwt.
De Vierde Republiek wordt
geconfronteerd met een ernstige crisis als gevolg van de dekolonisatie.
Deze begint in Indochina, waar Frankrijk zich na acht zware jaren van
oorlog moet terugtrekken. Minister-president Pierre Mendès France maakt
een einde aan het conflict (overeenkomsten van Genève, 20 juli 1954).
Marokko en Tunesië worden onafhankelijk in 1956 en in dezelfde periode
komt er een vreedzame dekolonisatiebeweging op gang in donker Afrika. De
dekolonisatie van Algerije leidt daarentegen tot een conflict dat duurt
van 1954 tot 1962 en dat fataal zal zijn voor de Vierde Republiek.
Frankrijk onder De Gaulle
De rellen van Algerijnse
Fransen, op 13 mei 1958 in Algiers, luiden de val in van de laatste
regering (onder leiding van Pierre Pfimlin) van de Vierde Republiek.
President René Coty roept de gepensioneerde generaal De Gaulle op
vanuit zijn woonplaats Colombey-les-Deux-Eglises om de leiding van de
regering op zich te nemen.
Op 1 juni 1958 wordt De
Gaulle gemachtigd door de afgevaardigden. Hij ontwerpt een
constitutionele tekst die een nieuwe werkwijze van het bestuursapparaat
beschrijft. Op 28 september 1958 wordt de grondwet van de Vijfde
Republiek per referendum aangenomen. De President van de Republiek
krijgt een belangrijke rol toebedeeld. De Gaulle wordt op 21 december
1958 voor deze hoogste functie gekozen door een college van
afgevaardigden, senatoren en lokale vertegenwoordigers.
Vanaf 1960 worden de
landen in Frans Afrika onafhankelijk en deze behouden bevoorrechte
banden met Frankrijk. Maar de zich voortslepende Algerijnse oorlog vormt
de belangrijkste zwerende wond die de Vijfde Republiek heeft geërfd van
de Vierde. Ernstige onlusten in Frankrijk en Algerije en de staatsgreep
van de generaals op 22 april 1961 in Algiers brengen de onderhandelingen
met de voorlopige regering van de Algerijnse Republiek in een
stroomversnelling en leiden tot de overeenkomsten van Evian. Op 8 april
1962 krijgen deze per referendum massale instemming. Een miljoen
kolonialen moeten het onafhankelijke Algerije verlaten en reïntegreren
in Frankrijk. Via het referendum van 28 oktober 1962 zorgt De Gaulle
ervoor dat het staatshoofd wordt gekozen door middel van rechtstreekse
algemene verkiezingen. Op 19 december 1965 wordt hij zelf op deze post
verkozen in de tweede ronde van de verkiezingen tegen François
Mitterrand, de kandidaat van de linkse oppositie. Het systeem van
verkiezingen bij meerderheid van stemmen verzekert de dominerende
politieke stroming van een duurzame meerderheid en dus van een politieke
en parlementaire stabiliteit die Frankrijk lange tijd niet meer gekend
had.
De economische welvaart en
de sanering van de munteenheid, gesymboliseerd door de invoering van de
nieuwe Franc in 1960, bieden De Gaulle de mogelijkheid een actief
buitenlands beleid te voeren. Hij wil geen twijfel laten bestaan over de
onafhankelijkheid en de vooraanstaande positie van Frankrijk op
wereldniveau. Daartoe baseert hij zich op de afschrikkingscapaciteit
waarover zijn land beschikt sinds het de atoomwapens beheerst. Op 13
februari 1960 wordt de eerste Franse atoombom getest in Reggane in de
Sahara. Frankrijk voorziet zichzelf vervolgens van het thermonucleaire
wapen (eerste test in 1968) en de hele moderne reeks atoomwapendragers:
aardprojectielen, bommenwerpers van de strategische luchtmacht en
onderzeeërs. Frankrijk wordt hiermee de derde nucleaire macht na de
Verenigde Staten en de USSR, hoewel de Franse vuurcapaciteit ver bij die
van de twee grootmachten achterblijft. Om de nieuw verworven
onafhankelijkheid te onderstrepen, besluit De Gaulle Frankrijk terug te
trekken uit de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO, maar
zonder zijn lidmaatschap van de Atlantische alliantie op te zeggen.
Europa verenigt zich;
Frankrijk verandert
Het Europese beleid van
Frankrijk ontwikkelt zich in twee richtingen. Ten eerste het voltooien
van wat De Gaulle noemt “ontspanning, overeenstemming en
samenwerking” met de landen van het Oostblok om een einde te maken aan
de Koude Oorlog, en het voorbereiden van de opbouw van een Europa van de
Atlantische Oceaan tot de Oeral. Ten tweede het ten uitvoer leggen van
het Verdrag van Rome, waarbij de nationale soevereiniteit en de
fundamentele belangen van de staten niettemin ferm verdedigd worden. Zo
onthoudt Frankrijk zich zes maanden lang (in 1965)van deelnameaan de
Europese instellingen (lege-stoelpolitiek) omdat het van mening is dat
deEuropese commissiezijnbevoegdhedenheeftovertreden.Deze crisis leidt
tot het compromis van Luxemburg: als een lid-staat zijn fundamentele
belangen bedreigd acht, kan er alleen een beslissing worden genomen bij
unanimiteit. De door Frankrijk voorgestelde plannen voor politieke
eenwording (Fouchet-plan) mislukken overigens en De Gaulle verzet zich
tweemaal tegen de Briste kandidaatstelling voor de EEG, die hij te vroeg
acht.
Maar het belangrijkste
blijft het opbouwen van een nauwe Frans-Duitse samenwerking, die dankzij
de persoonlijke contacten tussen De Gaulle en kanselier Adenauer tot
stand komt. De officiële reizen van de kanselier naar Frankrijk en van
De Gaulle naar Duitsland, de oprichting van het Office franco-allemand
pour la jeunesse en het ondertekenen van het Elysée-verdrag in 1963,
vormen de kroon op deze toenadering. Het Frans-Duitse koppel wordt een
van de motoren van de Europese eenwording en zal dat tot op heden
blijven. Grote economische projecten, gestimuleerd door de technische en
demografische dynamiek van de Vijfde Republiek, zien het levenslicht: de
mailboot “France” in 1962, het supersonische vliegtuig Concorde
(waarvan het prototype zijn eerste vlucht maakt in 1969), het begin van
de ruimtevaart (1965), de steun aan de technologische vernieuwingen en
de topindustrieën –luchtvaarttechniek, informatica, telecommunicatie.
Dit alles past in een actief beleid van ruimtelijke ordening. Maar in de
loop van de jaren ’60 roepen de ingrijpende veranderingen van de
Franse economie en maatschappij, in combinatie met de verjonging van de
bevolking en de continue stijging van de levensstandaard, onrust en
nieuwe sociale aspiraties op. Deze eisen krijgen mede dankzij het
groeiend aantal nieuwe media (transistorradio, televisie) een nationale
weerklank en komen door de gebeurtenissen van mei/juni 1968 tot
uitbarsting.
De breuk van 1968 en de opvolging van
De Gaulle
De studentenopstand van
het voorjaar 1968 raakt een groot aantal geïndustrialiseerde landen
maar neemt bijzondere vormen aan in Frankrijk, waar de protestbeweging
zich uitbreidt naar de werknemers, de provincie verovert en ten slotte
het hele land verlamt. Frankrijk telt in mei, de maand van de roerige
opstanden, ongeveer negen miljoen stakers. Na twee weken van getalm en
getreuzel krijgen de autoriteiten de situatie weer in de hand, dankzij
de diepgaande verdeling binnen de protestbeweging en de angst van de
politiek en de vakbonden voor onbeheersbare toestanden.
Een ferme toespraak van De
Gaulle, de mobilisatie van zijn partijgenoten en het beroep op de
kiezers herstellen na de ontbinding van het Assemblée nationale in juni
1968 de situatie. Maar nog geen jaar later verlaat De Gaulle
desalniettemin voorgoed de macht, na een mislukt referendum over de
regionalisering en de hervorming van de Senaat, op 28 april 1969. Hij
overlijdt op 9 november 1970. Een van zijn voormalige Eerste ministers,
Georges Pompidou, volgt hem op (verkiezingen van 15 juni 1969); na diens
vroege dood wordt zijn minister van Financiën, Valéry Giscard
d’Estaing, in mei 1974 gekozen tot president.
Er is geen bruuske omslag
tussen de wijze van regeren na het vertrek van De Gaulle, er is eerder
sprake van opeenvolgende kleine veranderingen. Onder Pompidou blijft de
Gaulle-traditie grotendeels bewaard en ook de grote lijnen van de
binnenlandse en buitenlandse politiek worden voortgezet. In het kader
van het project “de nieuwe maatschappij” van Eerste minister Jacques
Chaban-Delmas (1969-1972), wordt er belangrijke sociale vooruitgang
geboekt in het beroepsonderwijs en met betrekking tot de bescherming van
armen en ouderen. Op Europees niveau wordt er een beslissende stap
gezet: Frankrijk heft het veto op de Britse toetreding tot de EEG,
uitgebreid tot Ierland en Denemarken, op en Europa telt vanaf 1973 9
leden.
De regeertermijn van Valéry
Giscard d’Estaing toont duidelijker de wil om een modern liberalisme
(de ontwikkelde liberale samenleving) te implementeren en de sociale
verhoudingen te moderniseren, met name gezien de radicale economische
veranderingen in deze periode. Halverwege de jaren ’60 komen de
“Trente glorieuses” (de naoorlogse periode van economische welvaart
en vooruitgang) namelijk tot stilstand en Frankrijk gaat een periode van
duurzame crisis tegemoet. Desondanks worden er belangrijke hervormingen
doorgevoerd: meerderjarigheid bij 18 jaar, legalisering van abortus,
einde van de censuur voor film en audiovisuele producties…. Valéry
Giscard d’Estaing is overigens de initiator van de G7-bijeenkomsten
(groep van de zeven meest geïndustrialiseerde landen) en samen met de
Duitse kanselier Helmut Schmidt staat hij aan de oorsprong van het
Europees Monetair Stelsel (EMS) en de algemene verkiezing van de
gedeputeerden van het Europees parlement.
De wisseling van de macht
Terwijl binnen de meerderheid de politieke tegenstellingen toenemen
tussen de UDF (Union pour la Démocratie française), partij van
Giscard-aanhangers en centristen en de RPR (Rassemblement pour la République),
de partij die in december 1976 werd opgericht door Jacques Chirac en die
zich erfgenaam van het Gaullisme noemt, bereidt de oppositie onder
leiding van François Mitterrand in de jaren ’70 een strategie voor om
de macht te veroveren.
De Parti socialiste,
gereorganiseerd op het congres van Epinay (juni 1971) door François
Mitterrand, de Parti communiste en de Radicaux de gauche (linkse
radicalen) vormen voor de parlementsverkiezingen van 1973 een Union de
la gauche en voeren een gezamenlijk regeringsprogramma. Ondanks de
ingehouden spanningen en hoewel verschillende keren een breuk
plaatsvindt die ook weer wordt hersteld en er afstand wordt gedaan van
het gezamenlijke programma in 1978, wordt er in 1981 voor de tweede
ronde van de presidentsverkiezingen opnieuw een Union de la gauche
gevormd. François Mitterrand wint deze verkiezingen ten koste van de
zittende president Valéry Giscard d’Estaing. Links komt voor de
eerste keer sinds het uitroepen van de Vijfde Republiek aan de macht.
Deze machtswisseling toont aan dat de grondwet van 1958, die volgens de
beweringen op maat gemaakt was voor generaal De Gaulle, een
democratische verandering van de politieke meerderheid toestaat zonder
dat de stabiliteit van het bestuursapparaat eronder lijdt.
De regering van Pierre
Mauroy (juni 1981) telt vier communistische ministers en gaat over tot
een reeks hervormingen: pensioen op 60-jarige leeftijd, invoering van de
39-urige werkweek, een vijfde betaalde vakantieweek, werving van
ambtenaren, nationalisering van banken en industriebedrijven,
vermogensbelasting, decentralisatie van de macht ten gunste van de
lokale overheden, afschaffing van de doodstraf, einde van het
staatsmonopolie op radio en televisie…. Maar het handelstekort stijgt
schrikbarend, de schuld neemt toe terwijl de inflatie aanhoudt en de
Franc zijn waarde verliest ten opzichte van de grote concurrerende
munteenheden. De economische beperkingen zijn zwaar en na drie
devaluaties op rij ontkomt Frankrijk in verband met de verplichtingen
aan Europa niet aan een bezuinigingsbeleid. Het brein achter deze
maatregel is Jacques Delors, de minister van Financiën. Hij maakt een
einde aan de koppeling van de lonen aan de prijzen en stelt een beleid
in van controle op de overheidstekorten, bestrijding van de inflatie en
bescherming van de munteenheid. Met de aanstelling van Laurent Fabius
als Eerste minister in juli 1984 en het vertrek van de communistische
ministers is de ommezwaai naar een streng bezuinigsbeleid (de
“tournant de la rigueur”, zoals de historici deze periode destijds
omschreven), een feit.
Jaren negentig
In 1991 werd voor het eerst een vrouw premier van Frankrijk, Edith
Cresson. Impopulaire maatregelen, o.a. premie- en belastingverhogingen,
waren fnuikend voor haar populariteit en zij werd al in april 1992
opgevolgd door Pierre Bérégovoy. Deze trad als premier terug na de
socialistische nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd
opgevolgd door Edouard Balladur. In mei pleegde de teleurgestelde Bérégovoy
zelfmoord, mede naar aanleiding van het mislukken van zijn economisch
programma. De slechte economische situatie leidde in juli 1993 tot
aanvallen door speculanten op de Franse franc. Het gevolg was dat de
Franse franc in feite het Europees Monetair Stelsel moest verlaten.
De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke
corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden dwongen.
Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques Chirac, leider
van de gaullistische RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn
partijgenoot Balladur achter zich en won in de tweede ronde ook van de
socialistische kandidaat Lionel Jospin. Jean-Marie Le Pen van het
extreem-rechtse Front National verwierf 15% van de stemmen. Na
aanvankelijk enige van Chiracs verkiezingsbeloften te hebben ingelost,
daalde de populariteit van premier Juppé, die een straf
bezuinigingsbeleid voorstond, snel.
Een golf van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam en ook in
oktober en november 1996 kwam het tot massale stakingen bij de
spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere overheidsdiensten.
Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot blokkades ter verbetering van hun
arbeidsvoorwaarden, aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam.
Intussen daalde de economische groei en bereikte de werkloosheid een
naoorlogs record.
In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen
van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische organisatie GIA en op
Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal bomaanslagen plaats door
verschillende nationalistische bewegingen.
Begin januari 1996 overleed oud-president François Mitterrand. Bij
gemeenteraadsverkiezingen in februari 1997 in het Zuid-Franse stadje
Vitrolles behaalde het Front National een absolute overwinning, waarmee
de vierde Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl
Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen.
In het voorjaar van 1997 schreef president Chirac vervroegde
verkiezingen uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te
versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de socialisten onder
leiding van Jospin en hun bondgenoten op 1 juni een grote overwinning en
kwamen met 282 van de 577 zetels in de Nationale Vergadering.
In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Mururoa in de Stille
Zuidzee felle protesten uit vooral van Australië, Nieuw-Zeeland en
Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996 het Verdrag van
Rarotonga voor een kernwapenvrije zone in de Stille Zuidzee. In juni
1996 maakte minister van Defensie Millon op een halfjaarlijkse
vergadering van zijn NAVO-collega’s in Brussel bekend dat Frankrijk
wilde meewerken aan een "nieuwe" NAVO met een aparte Europese
defensie-identiteit.
In de aanloop naar de Europese top in Dublin van december 1996 ontstond
onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het stabiliteitspact, dat
na inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij
de deelnemende landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid:
ruimere marges en minder autonomie voor de Europese Centrale Bank.
Met de vervroegde parlementsverkiezingen van mei/juni 1997 beoogde
president Chirac extra tijd te creëren om, zo nodig, pijnlijke
maatregelen uit te voeren die nodig waren om te voldoen aan de criteria
voor deelname aan de EMU. Chirac gokte en verloor: winnaar werd de
Socialistische Partij (PS) onder leiding van Lionel Jospin, die een
coalitie vormde met de communisten (PCF) en de Groenen.
De populariteit van de nieuwe coalitieregering –Jospin was
aanvankelijk groot, maar werd al spoedig op de proef gesteld door onder
meer verzet van de vakbonden tegen saneringen in de sociale
voorzieningen en dat van middelbare scholieren die in oktober 1998
massaal de straat opgingen om meer middelen voor het secundair onderwijs
te eisen.
De invoering van een 35-urige werkweek in 1998 om meer arbeidsplaatsen
te scheppen, deed de relatie tussen regering en werkgevers geen goed en
in 1999 werd de positie van Jospin verder verzwakt toen minister van
Financiën Dominique Strauss-Kahn, na Jospin de machtigste man in de
regering, op 2 november zijn aftreden bekendmaakte, nadat hij van
corruptie was beschuldigd.
21ste eeuw
In september 2000 spraken de Franse kiezers zich uit voor een
grondwetswijziging waarmee de presidentiële ambtstermijn werd
teruggebracht van zeven naar vijf jaar; 73% was voor de wijziging. In
2002 is parlementair rechts aan de macht gekomen na verrassend verlopen
Presidentsverkiezingen, waarin extreem rechts in de eerste ronde er in
slaagde de socialistische presidentskandidaat Jospin uit te schakelen.
Het gevolg was brede steun voor de herverkiezing van President Chirac
die Le Pen als kandidaat voor het Front National tegenover zich zag.
De regering en de door President Chirac benoemde eerste minister
Raffarin ging - gezien de omstandigheden - voorzichtig aan het werk,
volgens sommigen commentatoren zelfs te voorzichtig. Men wilde ten koste
van alles de sociale rust handhaven omdat die essentieel werd geacht
voor het handhaven van het consumentenvertrouwen en daarmee de
werkgelegenheid. Noodzakelijke hervormingen, zoals belastinghervorming
(in Frankrijk wordt nog steeds geen belasting aan de bron geheven) en
liberalisering/privatisering van semi-overheidsbedrijven en hervorming
van het gezondheidswezen, werden voor zich uit geschoven. In plaats
daarvan concentreerde de regering zich op thema's als decentralisatie,
veiligheid op straat en verhoging van de defensie-uitgaven. Toch werd
het eerste jaar van de regering Raffarin voor de zomer van 2003 met een
relatief positieve balans afgesloten. Successen werden met name geboekt
bij de aanpak van de criminaliteit (minder misdaad) en de
verkeersproblematiek (minder verkeersslachtoffers).
In de zomer van 2003 begon het tij te keren. In juli werd het
regeringsvoorstel voor een institutionele hervorming voor Corsica met
bijna 51 procent nee stemmen verworpen. Hierdoor kwam de
decentralisatiewetgeving van de regering onder grotere druk te staan.
Ook kwam er onverwacht veel verzet vanuit de bevolking tegen de
wijzigingen van het pensioenstelsel, tegen het decentraal werven van
ondersteunend personeel in de onderwijssector in het kader van het
decentralisatiebeleid en tegen het aanscherpen van de uitkeringscriteria
voor werknemers in de theater- en festivalwereld. Daarboven op kwam de
catastrofaal verlopen hittegolf in augustus 2003 die meer dan 15000
slachtoffers eiste.
Daarna kwam de regering wat zijn populariteit betrof in een vrije val
terecht: de pers sprak over het begin van het einde. Hoewel het er begin
2004 even op leek dat de regering vertrouwen terug won - onder meer
vanwege de harde opstelling ten faveure van het niet confessionele
karakter van de Franse staat (verbod van het islamitische hoofddoekje) -
kreeg dit geen vertaling bij de regionale verkiezingen van 21 en 28
maart 2004. Links kreeg 13 procentpunten meer dan rechts (50,3 tegen
36,8 procent). Links kwam in alle regio's (ook de tot dan toe onneembare
bolwerken van rechts) aan de macht. Met uitzondering van de Elzas en
Corsica. Als gevolg werd een deel van de regeringsploeg vervangen en
trad de regering Raffarin III aan.
In een televisietoespraak had President Chirac de vernieuwde regering
Raffarin III geplaatst in het kader van de noodzaak van structurele
hervormingen in Frankrijk. Hervormingen en sociale rechtvaardigheid
dienden hand in hand te gaan. Frankrijk diende, aldus de president, een
echte sociale dialoog voeren. Hervormingen dienen liefst breed gedragen
te worden. Tegelijk dienen de staatsfinanciën te worden gesaneerd. De
regeringsverklaring Raffarin III was in lijn met de wensen van de
president.
Op zondag 29 mei 2005 heeft het Franse volk zich middels een referendum
massaal uitgesproken tegen het Grondwettelijk Verdrag voor de Europese
Unie. Chirac heeft hierop Dominique de Villepin tot premier benoemd en
Nicolas Sarkozy als ‘ministre d’Etat’ (daarmee protocollair de
nummer twee in de regering) herbenoemd in de functie van minister van
Binnenlandse Zaken. Op voordracht van De Villepin is het regeringsteam
drastisch hervormd en in omvang sterk gereduceerd (alle
staatssecretarissen zijn geschrapt).
Op 9 juni 2005 legde premier De Villepin de regeringsverklaring af in de
Assemblee. De aangekondigde maatregelen hadden met name betrekking op
het sociaal-economisch beleid: "Frankrijk weer aan het werk
helpen" was de centrale boodschap.
De kosten van het maatregelenpakket worden geschat op 4,5 miljard euro.
De verlaging van de inkomstenbelasting die in 2006 zou worden
doorgevoerd (aankondiging van President Chirac van juli 2004) wordt
voorlopig opgeschort. De Villepin zal het werkgelegenheidspakket niet via wetten, maar via
‘ordonnances’ doorvoeren. Hij omzeilt daarmee lange procedures (en
amendementen) in het Parlement. Oppositie verzette zich uiteraard stevig
tegen deze vermeende ‘autoritaire’ bestuursvorm.
In de Franse pers wordt gesproken over de “nadagen van Chirac”. Er
is sprake van duidelijke onrust binnen de regeringspartij UMP. De
jongere generatie van rechtse politici wil voorkomen dat links in 2007
het Elysée weer overneemt en tracht daarom in de UMP het roer meer in
eigen handen te nemen. Ook herinnert men aan het feit dat de UMP geacht
was een doorbraakpartij te zijn, met allerlei stromingen en dus niet
alleen Gaullisten of Chirac aanhangers. Achter dit streven naar herstel
van de bloedgroepen kan men de opening van de eerste schermutselingen
over de opvolging van Chirac zien. De benoeming van De Villepin in
combinatie met Sarkozy, beide zeer ambitieus en mogelijk in de race voor
het volgende presidentschap, roept vragen op over de teamgeest van de
nieuwe regering.
Ook de socialisten zijn door de afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag
zwaar aangeslagen. Hoewel de officiële partijlijn steun voor het
verdrag voorschreef, leidde de tweede man van de PS, Laurent Fabius, een
actieve nee-campagne. Na het Franse ‘neen’ restte partijleider François
Hollande dan ook geen andere keuze dan Fabius als lid van het bestuur te
royeren. De verdeeldheid binnen de PS is nu aanzienlijk. Het
partijcongres van de PS is een half jaar vervroegd naar het najaar van
2005 teneinde de brokstukken te repareren voordat de campagne voor de
presidentsverkiezingen van 2007 van start gaat.
bronnen: ambafrance.nl & landenweb.net |