home
| aanmelden | gîtes | chambres d'hôtes | creatief | kamperen | ingerichte tenten | groepsaccommodaties | contact | links
 

 
Nieuwsbrief
 
Cinema

 
Informatie regio's en departementen
 

Alsace

Aquitaine

Auvergne

Bourgogne

Bretagne

Centre

Champagne-Ardennes

Corsica

Franche-Comté

Île-de-France

Languedoc-Roussillon

Limousin

Lorraine

Midi-Pyrénées

Nord-Pas-de-Calais

Basse-Normandie

Haute-Normandie

Pays de la Loire

Picardie / Thiérache

Poitou-Charentes

Provence/Alpes/
Côte d'Azur


Rhône-Alpes

 
Informatie Frankrijk
De departementen

De Eiffeltoren

Geschiedenis
copyright©2007-2013

 

 

Geschiedenis van Frankrijk

Het geboortejaar van Frankrijk is lastig vast te stellen. Het kan zijn 496, de doop van Clovis, koning van de Franken. Of 987, de zalving van Hugues Capet, grondlegger van de dynastie die negen eeuwen over het land heeft geheerst. Of 1789, het jaar van de revolutie, wanneer Frankrijk zich manifesteert als een natie binnen een reeds gevormde staat. Historici en burgers zijn verdeeld over de oorsprong. De mogelijke keuzen geven aan dat Frankrijk, net als een levend wezen, een langzame ontwikkeling heeft gekend, en dat een groot aantal aspecten een rol hebben gespeeld bij de vorming van zijn identiteit.

Het Frankrijk van de antieke Oudheid en de Middeleeuwen lijkt nauwelijks op het land dat wij kennen. Aan het eind van de XVe eeuw heeft het Capetingische gebied meer weg van een bij elkaar geraapte archipel dan van het hedendaagse Frankrijk. Niettemin zijn deze lange perioden essentieel geweest voor het ontstaan van de structuur van de bevolking en de organisatie van het grondgebied, want de ligging van de meeste steden en verbindingsroutes stamt uit deze tijd. Deze stedelijke kernen en verkeersaders vormen de basis voor een beginnend besef van territoriale verbondenheid. Zo krijgt het Franse gebied gestalte, via oorlogen, annexaties, overdrachten, erfenissen en huwelijken. In dit langdurige proces zijn enkele fases van doorslaggevend belang geweest. Ten eerste de Romeinse overheersing, die Gallië voorziet van steden en wegen en die met de verspreiding van het Latijn het begin van een taalkundige eenheid tot stand brengt. Vervolgens de Middeleeuwse expansie, die zorgt voor een wedergeboorte van steden, een vermenigvuldiging van het aantal dorpen en de ontwikkeling van de handel tussen de elfde en dertiende eeuw. In deze lange ontstaansgeschiedenis dienen ook de vermengingen van de volken te worden vermeld. De prehistorische bevolkingskernen waarvan een groot aantal plaatsen getuigen en sommigen, zoals Lascaux, wereldwijd bekend zijn, hebben zich vermengd met Kelten, Mediterraanse volkeren, Grieken en Romeinen, oorlogszuchtige nomaden uit de steppen zoals de Hunnen, noordelijke en Germaanse volkeren, Vandalen, Suaven, Bourgondiërs, Alamannen, Wisigothen, Franken en later de Arabieren en de Vikingen. Deze volkeren zijn bijna volledig opgegaan in de smeltkroes van het Frankrijk in wording, maar hebben in sommige regio’s deels de oorsprong van de bevolking bepaald. In deze periode ontstaan onder het gezag van de Capetingers de instellingen en het bestuur die zorgdragen voor het beheer en de organisatie van het grondgebied, dat geleidelijk opgebouwd wordt. De keuze van Parijs als hoofdstad is in dit opzicht beslissend: als middelpunt van het grondgebied en de staat vormt speelt deze stad een cruciale rol in de eenwording van Frankrijk.

De erfenis van de Revolutie en het Keizerrijk
Met de revolutie van 1789 manifesteert Frankrijk zich als natie. Tijdens het feest van de Federatie op 14 juli 1790 verklaren afgevaardigden uit het hele land deel uit te maken van dezelfde nationale gemeenschap. Het ideaal was destijds de vrijheid van een ieder in het respect van allen, het recht van de volkeren op zelfbeschikking en instellingen om het sociaal welzijn te garanderen… Deze aspiraties, verwoord in de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 26 augustus 1789, zijn het product van de XVIIIe eeuwse Verlichtingsfilosofie en doordrenkt van de denkbeelden van auteurs als Montesquieu, die het principe van de scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht uiteenzet in L’Esprit des lois (1748), of van Jean-Jacques Rousseau, die de begrippen politieke gelijkheid en volkssoevereintiteit beschrijft in Du contrat social (1762). Deze teksten hebben overigens ook de schrijvers van de Amerikaanse grondwet in 1787 sterk geïnspireerd. De waarden die naar voren worden geschoven, worden beschouwd als universeel en als de basis van de moderne democratie. Ze zullen trouwens in de XIXe eeuw een grote weerklank hebben en de voortrekker zijn van de grote nationale-bevrijdingsbewegingen, waarna ze grotendeels zullen worden overgenomen in de Universele verklaring van de rechten van mens, die de Verenigde Naties hebben aangenomen op 10 december 1948. Deze principes zullen evenwel niet onmiddellijk worden verworven. Hoewel ze voor een belangrijk deel zijn opgenomen in de eerste grondwet van 1791 en in nog grotere mate in 1793, gaat er veel tijd, politieke strijd en sociale onlust overheen voordat er sprake is van onvervreemdbare rechten. De Eerste Republiek wordt uitgeroepen op 22 september 1792, maar de democratische grondwet die in 1793 wordt opgesteld zal nooit worden toegepast. De interne burgeroorlog en de strijd die op alle fronten geleverd moet worden tegen de geallieerde Europese staten leiden tot de totstandkoming van het Terreur-regime, dat ver verwijderd is geraakt van de nobele principes van 1789. In juli 1794 wordt Robespierre geëxecuteerd. In de periode daarna vormen de thermidoriaanse Conventie (1794-1795) en het Directoire-regime (1795-1799) de aanloop tot de machtsgreep van Napoleon Bonaparte, van 1799 tot 1804 Consul en daarna keizer van de Fransen. De monarchie, afgeschaft in 1792, maakt plaats voor het Keizerrijk, dat een totaal andere structuur en organisatie kent, maar waarin de Fransen net als in het verleden weer onderdanen zijn, nadat ze hebben kunnen proeven aan het staatsburgerschap. Tijdens de oorlogen van de Revolutie en het Keizerrijk heeft Frankrijk geprobeerd zijn principes en bestuursmodel op te leggen aan een belangrijk deel van Europa, maar de aanvankelijke wil om de “onderdrukte volkeren” te bevrijden verandert al snel in veroveringen en annexaties. Het recht van volkeren om over zichzelf te beschikken lijkt dan een wel heel vruchteloze formule… Het Keizerrijk gaat in 1815 ten onder maar Frankrijk hervindt niet de vrijheid en de democratie. De monarchie wordt in ere hersteld door Lodewijk XVIII, die in 1824 wordt opgevolgd door Karel X. Na de revolutionaire dagen van juli 1830 begint Louis-Philippe aan een 18 jaar durende heerschappij. De Revolutie van 1848 luidt de Tweede Republiek in die net als de Eerste uitmondt in een staatsgreep, die van Lodewijk-Napoleon Bonaparte in 1851, waarna het Tweede Keizerrijk (1852-1870) wordt uitgeroepen. Tijdens deze verschillende regimes is er nauwelijks een beroep gedaan op het volk: tot 1848 wordt er gestemd volgens het censuskiesrecht, voorbehouden aan een minderheid van de bevolking, en de politieke expressie van de meerderheid beperkt zich feitelijk tot enkele rebelse periodes die snel worden neergeslagen. Maar achter deze politieke instabiliteit tekenen zich essentiële veranderingen af die de basis vormen voor het moderne Frankrijk. Deze zijn allereerst van territoriale en bestuurlijke aard. In 1789 was de bestuurlijke eenheid van Frankrijk nog niet voltooid.Frankrijk was verdeeld in diverse districten die in verschillende perioden waren onstaan en elkaar overlapten. Een dergelijke complexiteit veroorzaakte traagheid en bevoegdheidsconflicten en vormde een beperking voor een efficiënt beheer van het land. Op dit vlak voltrekken de Revolutie en het Keizerrijk de centralisatie waarmee een start was gemaakt tijdens het Ancien Régime. In 1790 wordt het grondgebied verdeeld in departementen, die op hun beurt worden onderverdeeld in kantons. Deze bestaan weer uit gemeenten, die vandaag de dag nog steeds de stabiele lokale eenheden in de leefruimte van de Fransen vormen. Bonaparte voltooit het systeem en geeft het samenhang met de wet van 28 Pluviôse jaar VIII (17 februari 1800), die prefecten en burgermeesters aanstelt. Burgermeesters werden destijds benoemd maar worden tegenwoordig gekozen. De bestuurlijke districten worden dus onderling gelijkgesteld, en dankzij de aanstelling van personeel door middel van toelatingsexamens, maken de oude privileges plaats voor de verdienste. In dezelfde tijd ontstaan de echte overheidsdiensten en wordt de rol van de staat in de ruimtelijke ordening van het grondgebied, het aanbrengen van infrastructuur en de stedenbouwkunde versterkt. De zucht naar uniformiteit uit zich ook in de zorg tot het opstellen van gemeenschappelijke normen en merktekens die overal geldig zijn. Dit vertaalt zich niet alleen in het opstellen van een burgerwetboek maar ook in een systematische cadastrage van het grondbezit en in de keuze van het metrieke stelsel en de eenduidigheid in maten en gewichten. Deze laatste beslissing is tegenwoordig universeel. De periode van de Revolutie tot het Keizerrijk wordt ook gekenmerkt door een diepgaande verandering van de economie en de samenleving. Hoewel de turbulente gebeurtenissen tussen 1789 en 1815 Engeland een duidelijke economische voorsprong hebben gegeven, breekt ook voor Frankrijk het industriële tijdperk aan, met zijn steenkolenmijnen, stoommachine, moderne smederijen, grote textielfabrieken en spoorwegen. Het Tweede Keizerrijk is in dit opzicht een beslissende periode, vooral na 1860. De democratie is geweken, het affairisme beleeft hoogtijdagen, het koloniale avontuur dat in 1830 begon met de verovering van Algerije gaat onverminderd voort, maar het land maakt tegelijkertijd een snelle en ingrijpende evolutie door en groeit uit tot een moderne macht: ontwikkeling van de industrie, oprichting van banken en grote warenhuizen die het moderne distributiesysteem inluiden, herinrichting van de steden, aanzienlijke uitbreiding van het spoorwegennet, herbebossingspolitiek en strijd tegen de erosie…. Maar hoewel de economische bloei niet te ontkennen valt, blijft de sociale vooruitgang achter. In deze eerste helft van de XIXe eeuw zijn de levensomstandigheden zwaar en het proletariaat dat opeengehoopt leeft in de industriesteden, lijdt bittere armoede.

1870-1914: het republikeinse Frankrijk, crises en consolidatie

Na de Franse nederlaag tegen Duitsland in 1870 brengt de Derde Republiek een periode van stabiliteit en consolidatie, ondanks de interne turbulentie en de diepe sporen die de Eerste Wereldoorlog heeft nagelaten. Op 4 september 1870 wordt de Republiek uitgeroepen en Adolphe Thiers wordt op 31 augustus 1871 de eerste president, nadat de opstand van de Commune de Paris eind mei op bloedige wijze is neergeslagen. Het regime kent een moeilijk begin maar deze Republiek houdt stand tot 1940 en zal daarmee de meest duurzame van alle republieken blijken te zijn. Thiers, aanvankelijk een monarchist, schaart zich geleidelijk achter de republikeinse gedachte en tussen februari en juli 1875 worden de wetgevende teksten aangenomen die de organisatie en het functioneren van de macht bepalen. Maar het regime wordt pas bekrachtigd na de verkiezingen van 14 en 28 oktober 1877, waarbij de Kamer van afgevaardigden een republikeinse meerderheid behaalt. In de periode voor de Eerste Wereldoorlog wordt het voortbestaan van de Republiek bedreigd door twee zware crises: het boulangisme (1886-1889), die onvrede van velerlei oorsprong bundelt en de parlementaire basis van het regime bedreigt, en de affaire Dreyffus (1894-1899) die het antisemitisme in Frankrijk en de scherpe verdeling van de maatschappij en de politieke stromingen aan de oppervlakte brengt. De dreiging die deze crises teweeg brengen voor de Republiek is des te groter omdat ze zich afspelen tegen een achtergrond van heftige sociale en politieke spanningen: arbeidersopstanden, gewelddadige acties van liga’s en politieke partijen en botsingen tussen clericalen en anti-clericalen die in 1905 leiden tot de scheiding van kerk en staat. Overigens worden deze spanningen verergerd door politieke en financiële schandalen en door terroristische acties (de moord op president Sadi Carnot in 1894). Toch zijn er belangrijke verworvenheden te constateren op sociaal en institutioneel gebied en op het terrein van de openbare vrijheden. De wetten van 1882 en 1885 voor het verplicht en gratis lager onderwijs worden gevolgd door de wetten voor de persvrijheid (1881), vakbondsvrijheid (1884), de regelgeving ten aanzien van vrouwen- en kinderarbeid (1892) en de verenigingsvrijheid (1901). Ondanks conjuncturele crises zet de modernisering van de economie door en Frankrijk is een van de belangrijkste landen van de technologische en wetenschappelijke vernieuwingen die tot de tweede industriële revolutie leiden. Tijdens het Belle Epoque, aan de vooravond van de ‘Grote oorlog’, is de Franse internationale uitstraling groot: Frankrijk beschikt over het tweede koloniale imperium ter wereld, speelt een vooraanstaande rol in de diplomatie en doet zich gelden als het lichtend voorbeeld van kunst en cultuur.

1914-1945: van de ene oorlog naar de andere
Tijdens de eerste jaren van de XXe eeuw nemen de internationale spanningen in Europa toe; een groeiend nationalisme, versterkt door regionale crises zoals die in Marokko en op de Balkan, mondt uit in politieke, commerciële en koloniale spanningen tussen de verschillende machten. Frankrijk heeft een Triple-Entente gevormd met Rusland (overeenkomsten van 1893), dat geallieerd is met Servië en Groot-Brittannië (door de Entente cordiale, getekend in 1904). Tegenover dit blok heeft zich de Triple Alliantie van de “centrale keizerrijken” Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië gevormd, gesteund door het Ottomaanse keizerrijk. De moord op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een Serviër uit Bosnië, op 28 juni 1914 in Sarajevo, dat destijds onder Oostenrijkse heerschappij viel, is de vonk die het vuur ontsteekt: de Eerste Wereldoorlog breekt uit. Op 3 augustus 1914 raakt Frankrijk in oorlog met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, aan de zijde van Groot-Brittannië en Rusland, waar later Italië en de Verenigde Staten zich nog bij aansluiten. De Fransen komen als overwinnaar uit dit vier jaar durende conflict maar de prijs is hoog, zo ook voor de andere Europese staten die aan de oorlog hebben deelgenomen. Het noorden en het oosten van het grondgebied zijn verwoest, de oorlogsinspanningen hebben de schatkist en de nationale economie uitgeput en de in gang zijnde sociale vooruitgang onderbroken. Maar de oorlog is vooral een humanitaire ramp: bijna 1,5 miljoen jonge mannen zijn omgekomen, bijna drie miljoen zijn gewond geraakt en het geboortecijfer is ingestort; een demografische aderlating in een land waar de bevolkingsgroei toch al danig was verzwakt. De oorlog heeft de oprichting van de Union sacrée van de politieke partijen rondom de verdediging van de natie mogelijk gemaakt, een unie die wordt gesymboliseerd door de sterke persoonlijkheid van Clémenceau, de “Vader van de Overwinning”, die tot januari 1920 aan de macht is gebleven. De politiek van de jaren ’20 wordt gedomineerd door rechtse coalities, met uitzondering van het Cartel des Gauches, een unie van socialisten en radicalen dat aan de macht is in de periode 1924-1926. Sinds december 1920 en de oprichting van de communistische partij, is socialistisch links verdeeld. De economische crisis van de jaren ’30, de financiële en sociale problemen, de verslechtering van de internationale situatie met de fascisten en de nazi’s die aan de macht komen in resp. Italië en Duitsland verergeren de verdeeldheid in het land en stimuleren de opkomst van een groot aantal anti-parlementaire, nationalistische en conservatieve dan wel extreem-rechtse bewegingen die zich organiseren in liga’s. Door deze organisaties neemt het aantal gewelddadige manifestaties toe, zoals die van 6 februari 1934, die weer een anti-fascistische alliantie van socialisten, communisten en radicalen oproept. Daarmee is het Front Populaire (Volksfront) een feit. De verenigde linkse partijen triomferen bij de verkiezingen van 1936 en de regering van het Front Populaire met Léon Blum aan het hoofd voert belangrijke hervormingen door: de 40-urige werkweek, collectieve overeenkomsten, betaald verlof, de eerste nationalisaties, wijziging van het statuut van de Banque de France. Niettemin blijven de interne verdeeldheid en vooral de externe problemen onopgelost. Nadat hij dacht te zijn ontsnapt aan de vijandigheden door middel van de concessies die hij aan Hitler had gedaan in München in 1938, leidt de nieuwe minister-president Edouard Daladier het land aan de zijde van de Britten de Tweede Wereldoorlog in (3 september 1939). Frankrijk loopt door de oorlog een dubbel trauma op, aan de ene kant door de snelle en onverwachte nederlaag tegen het Duitse leger, maar aan de andere kant ook door de collaboratie met de vijand, in het leven geroepen door de Vichy-regering. Na het debacle van het leger bij de invasie van de nazi’s in mei 1940 slaan miljoenen burgers op de vlucht. Op 22 juni wordt de wapenstilstand getekend. Frankrijk wordt verdeeld in een bezette en een vrije zone. De Derde Republiek valt uit elkaar; op 10 juli 1940 geeft het Parlement alle macht in handen van maarschalk Pétain, de held van de Eerste Wereldoorlog. Pétain stelt in de voorlopige hoofdstad Vichy een nieuw regime in, de Etat français, een persoonlijk, autoritair en corporatistisch regime dat discriminerend is ten aanzien van de joden, die in 1941 een speciale status opgelegd krijgen. Het startsein voor de collaboratie met nazi-Duitsland is de ontmoeting van Montoire tussen Pétain en Hitler op 24 oktober 1940, die het Vichy-regime ertoe brengt de overwinnaars bijstand te bieden door middel van steun aan de Duitse oorlogsinspanningen, een klopjacht op de tegenstanders van het nazisme en uitlevering van de joden voor deportatie. Het legioen van Franse vrijwilligers tegen het bolsjewisme strijdt zelfs aan de zijde van de Duitse divisies op het oostfront. Maar het Verzet dat vanaf de eerste dagen van de bezetting de kop opsteekt, zal uitgroeien tot het nieuwe Frankrijk dat na de oorlog de leiding neemt. 18 juni 1940 is de geboortedatum, wanneer generaal De Gaulle de Fransen vanuit Londen oproept de strijd aan de zijde van de Geallieerden voort te zetten. Een extern Verzet, bestaand uit de Forces françaises libres (FFL, Vrije Franse strijdkrachten) en een Comité français de libération nationale (Frans comité voor nationale bevrijding), vormt zich daaromheen. Ook koloniale grondgebieden verenigen zich. In Frankrijk ontwikkelt het aanvankelijk beperkte interne Verzet zich tot een solide en georganiseerde organisatie. Het vormt netwerken die niet alleen in het land acties voeren, maar met hun inlichtingendienst en militaire steun tijdens de landing, ook waardevolle hulp bieden aan de Geallieerden. In Nood-Afrika, dat in november 1942 wordt bevrijd door de Geallieerden, wordt een nieuw Frans leger gevormd dat deelneemt aan de strijd. In het voorjaar van 1943 stimuleert Jean Moulin, de afgevaardigde van De Gaulle in het bezette Frankrijk, de Conseil national de la résistance (CNR, Nationale Verzetsraad) om de belangrijkste verzetsorganisaties te verenigen. De Gaulle is op dat moment in Algiers gevestigd en brengt een voorlopige regering op de been op basis van de CNR. Hoewel de rol van deze strijd niet beslissend was in de geallieerde overwinning op de nazi’s, was hij essentieel voor Frankrijk omdat hij de Engelsen, de Amerikanen en later de Sovjets ervan heeft overtuigd dat Frankrijk een plaats diende te krijgen in het kamp van de overwinnaars, in plaats van bezet te worden bij de bevrijding, zoals men zou hebben gedaan met vijandig grondgebied. Zo zal Frankrijk bij de capitulatieacte van Duitsland van 8 mei 1945 een volledig aandeel in de overwinning hebben. In deze betekenis kan worden gesteld dat Frankrijk dankzij het Verzet, via de persoon van De Gaulle, zijn plaats op het internationale toneel heeft weten te behouden, ondanks de militaire nederlaag.

De reconstructie: 1945-1958
Twee oorlogen in dertig jaar vormen voor Frankrijk een periode van beproevingen. Het verlies van mensenlevens is in de Tweede Wereldoorlog (600.000) geringer dan in de Eerste, maar de materiële verliezen zijn daarentegen veel zwaarder. Gevechten en bombardementen hebben steden, fabrieken, bruggen, stations en spoorwegen verwoest. Daarbij komen de verliezen als gevolg van de intensieve exploitatie door de bezetter. Maar het land krabbelt weer op en toont een waar elan; de tijden zijn zwaar maar met de terugkeer van de vrede is het vertrouwen in de toekomst hersteld, zoals de krachtige demografische opleving van de babyboom laat zien. En met de Amerikaanse hulp van het Marshall-plan kan worden voorzien in het hoogst noodzakelijke. Ondanks de moeilijke situatie worden na 1945 noodmaatregelen getroffen: nationalisaties van de sleutelbranches van de economie (energie, luchttransport, depositobanken, verzekeringen) en de grote bedrijven (Renault), oprichting van de Sécurité sociale (Sociale zekerheid), ondernemingsraden en toepassing van een economische planning onder verantwoordelijkheid van Jean Monnet. Maar de politieke machten die zijn geboren uit het Verzet -communisten, christen-democraten en socialisten- en die de voorlopige regering van De Gaulle steunen, raken al snel verdeeld over de keuze van de instellingen en de grote economische beslissingen. Het hoofd van het vrije Frankrijk verlaat ten slotte de regering in januari 1946 en sticht in 1947 een nieuwe politieke partij, de Rassemblement du peuple français (RPR). Er gaan twee Assemblées constituantes (belast met het opstellen van een grondwet) en drie referenda overheen voordat de grondwet van de Vierde Republiek wordt aangenomen. Deze wordt op 27 oktober 1946 uitgeroepen en stelt een almachtige Assemblée nationale (Nationale vergadering) en een president met beperkte macht in. In januari 1947 wordt Vincent Auriol door het Parlement gekozen tot President van de Republiek.
De politieke verdeeldheid wordt niet alleen veroorzaakt door de interne problemen, maar ook door de Koude Oorlog en de dekolonisatie. Ondanks de oppositie van de communisten bevestigt Frankrijk zijn atlantisme en schaart het zich resoluut bij het westerse kamp. Frankrijk sluit zich aan bij de in 1948 opgerichte Europese organisatie voor economische samenwerking (EOES) voor de verdeling van de Amerikaanse steun en wordt in april 1949 lid van de Atlantische alliantie (NAVO). Na de verdeling van Duitsland geeft Frankrijk de voorkeur aan een overeenstemmingspolitiek met de BRD die de basis zal vormen van de Europese eenwording. Jean Monnet, Robert Schumann en Kanselier Konrad Adenauer zijn de belangrijkste figuren in deze toenadering die in 1951 resulteert in de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Deze eerste instelling zal de kern vormen van het verenigd Europa. Frankrijk wijst een Europese Gemeenschap voor Defensie af omdat Gaullisten en communisten zich verzetten tegen dat wat zij als een verlies van nationale soevereiniteit beschouwden, maar speelt een actieve rol in de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (of gemeenschappelijke markt) die samen met het Verdrag van Rome op 25 maart 1957 het levenslicht aanschouwt. De Vierde Republiek wordt geconfronteerd met een ernstige crisis als gevolg van de dekolonisatie. Deze begint in Indochina, waar Frankrijk zich na acht zware jaren van oorlog moet terugtrekken. Minister-president Pierre Mendès France maakt een einde aan het conflict (overeenkomsten van Genève, 20 juli 1954). Marokko en Tunesië worden onafhankelijk in 1956 en in dezelfde periode komt er een vreedzame dekolonisatiebeweging op gang in donker Afrika. De dekolonisatie van Algerije leidt daarentegen tot een conflict dat duurt van 1954 tot 1962 en dat fataal zal zijn voor de Vierde Republiek. Frankrijk onder De Gaulle De rellen van Algerijnse Fransen, op 13 mei 1958 in Algiers, luiden de val in van de laatste regering (onder leiding van Pierre Pfimlin) van de Vierde Republiek. President René Coty roept de gepensioneerde generaal De Gaulle op vanuit zijn woonplaats Colombey-les-Deux-Eglises om de leiding van de regering op zich te nemen. Op 1 juni 1958 wordt De Gaulle gemachtigd door de afgevaardigden. Hij ontwerpt een constitutionele tekst die een nieuwe werkwijze van het bestuursapparaat beschrijft. Op 28 september 1958 wordt de grondwet van de Vijfde Republiek per referendum aangenomen. De President van de Republiek krijgt een belangrijke rol toebedeeld. De Gaulle wordt op 21 december 1958 voor deze hoogste functie gekozen door een college van afgevaardigden, senatoren en lokale vertegenwoordigers. Vanaf 1960 worden de landen in Frans Afrika onafhankelijk en deze behouden bevoorrechte banden met Frankrijk. Maar de zich voortslepende Algerijnse oorlog vormt de belangrijkste zwerende wond die de Vijfde Republiek heeft geërfd van de Vierde. Ernstige onlusten in Frankrijk en Algerije en de staatsgreep van de generaals op 22 april 1961 in Algiers brengen de onderhandelingen met de voorlopige regering van de Algerijnse Republiek in een stroomversnelling en leiden tot de overeenkomsten van Evian. Op 8 april 1962 krijgen deze per referendum massale instemming. Een miljoen kolonialen moeten het onafhankelijke Algerije verlaten en reïntegreren in Frankrijk. Via het referendum van 28 oktober 1962 zorgt De Gaulle ervoor dat het staatshoofd wordt gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen. Op 19 december 1965 wordt hij zelf op deze post verkozen in de tweede ronde van de verkiezingen tegen François Mitterrand, de kandidaat van de linkse oppositie. Het systeem van verkiezingen bij meerderheid van stemmen verzekert de dominerende politieke stroming van een duurzame meerderheid en dus van een politieke en parlementaire stabiliteit die Frankrijk lange tijd niet meer gekend had. De economische welvaart en de sanering van de munteenheid, gesymboliseerd door de invoering van de nieuwe Franc in 1960, bieden De Gaulle de mogelijkheid een actief buitenlands beleid te voeren. Hij wil geen twijfel laten bestaan over de onafhankelijkheid en de vooraanstaande positie van Frankrijk op wereldniveau. Daartoe baseert hij zich op de afschrikkingscapaciteit waarover zijn land beschikt sinds het de atoomwapens beheerst. Op 13 februari 1960 wordt de eerste Franse atoombom getest in Reggane in de Sahara. Frankrijk voorziet zichzelf vervolgens van het thermonucleaire wapen (eerste test in 1968) en de hele moderne reeks atoomwapendragers: aardprojectielen, bommenwerpers van de strategische luchtmacht en onderzeeërs. Frankrijk wordt hiermee de derde nucleaire macht na de Verenigde Staten en de USSR, hoewel de Franse vuurcapaciteit ver bij die van de twee grootmachten achterblijft. Om de nieuw verworven onafhankelijkheid te onderstrepen, besluit De Gaulle Frankrijk terug te trekken uit de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO, maar zonder zijn lidmaatschap van de Atlantische alliantie op te zeggen. Europa verenigt zich; Frankrijk verandert Het Europese beleid van Frankrijk ontwikkelt zich in twee richtingen. Ten eerste het voltooien van wat De Gaulle noemt “ontspanning, overeenstemming en samenwerking” met de landen van het Oostblok om een einde te maken aan de Koude Oorlog, en het voorbereiden van de opbouw van een Europa van de Atlantische Oceaan tot de Oeral. Ten tweede het ten uitvoer leggen van het Verdrag van Rome, waarbij de nationale soevereiniteit en de fundamentele belangen van de staten niettemin ferm verdedigd worden. Zo onthoudt Frankrijk zich zes maanden lang (in 1965)van deelnameaan de Europese instellingen (lege-stoelpolitiek) omdat het van mening is dat deEuropese commissiezijnbevoegdhedenheeftovertreden.Deze crisis leidt tot het compromis van Luxemburg: als een lid-staat zijn fundamentele belangen bedreigd acht, kan er alleen een beslissing worden genomen bij unanimiteit. De door Frankrijk voorgestelde plannen voor politieke eenwording (Fouchet-plan) mislukken overigens en De Gaulle verzet zich tweemaal tegen de Briste kandidaatstelling voor de EEG, die hij te vroeg acht. Maar het belangrijkste blijft het opbouwen van een nauwe Frans-Duitse samenwerking, die dankzij de persoonlijke contacten tussen De Gaulle en kanselier Adenauer tot stand komt. De officiële reizen van de kanselier naar Frankrijk en van De Gaulle naar Duitsland, de oprichting van het Office franco-allemand pour la jeunesse en het ondertekenen van het Elysée-verdrag in 1963, vormen de kroon op deze toenadering. Het Frans-Duitse koppel wordt een van de motoren van de Europese eenwording en zal dat tot op heden blijven. Grote economische projecten, gestimuleerd door de technische en demografische dynamiek van de Vijfde Republiek, zien het levenslicht: de mailboot “France” in 1962, het supersonische vliegtuig Concorde (waarvan het prototype zijn eerste vlucht maakt in 1969), het begin van de ruimtevaart (1965), de steun aan de technologische vernieuwingen en de topindustrieën –luchtvaarttechniek, informatica, telecommunicatie. Dit alles past in een actief beleid van ruimtelijke ordening. Maar in de loop van de jaren ’60 roepen de ingrijpende veranderingen van de Franse economie en maatschappij, in combinatie met de verjonging van de bevolking en de continue stijging van de levensstandaard, onrust en nieuwe sociale aspiraties op. Deze eisen krijgen mede dankzij het groeiend aantal nieuwe media (transistorradio, televisie) een nationale weerklank en komen door de gebeurtenissen van mei/juni 1968 tot uitbarsting. De breuk van 1968 en de opvolging van De Gaulle De studentenopstand van het voorjaar 1968 raakt een groot aantal geïndustrialiseerde landen maar neemt bijzondere vormen aan in Frankrijk, waar de protestbeweging zich uitbreidt naar de werknemers, de provincie verovert en ten slotte het hele land verlamt. Frankrijk telt in mei, de maand van de roerige opstanden, ongeveer negen miljoen stakers. Na twee weken van getalm en getreuzel krijgen de autoriteiten de situatie weer in de hand, dankzij de diepgaande verdeling binnen de protestbeweging en de angst van de politiek en de vakbonden voor onbeheersbare toestanden. Een ferme toespraak van De Gaulle, de mobilisatie van zijn partijgenoten en het beroep op de kiezers herstellen na de ontbinding van het Assemblée nationale in juni 1968 de situatie. Maar nog geen jaar later verlaat De Gaulle desalniettemin voorgoed de macht, na een mislukt referendum over de regionalisering en de hervorming van de Senaat, op 28 april 1969. Hij overlijdt op 9 november 1970. Een van zijn voormalige Eerste ministers, Georges Pompidou, volgt hem op (verkiezingen van 15 juni 1969); na diens vroege dood wordt zijn minister van Financiën, Valéry Giscard d’Estaing, in mei 1974 gekozen tot president. Er is geen bruuske omslag tussen de wijze van regeren na het vertrek van De Gaulle, er is eerder sprake van opeenvolgende kleine veranderingen. Onder Pompidou blijft de Gaulle-traditie grotendeels bewaard en ook de grote lijnen van de binnenlandse en buitenlandse politiek worden voortgezet. In het kader van het project “de nieuwe maatschappij” van Eerste minister Jacques Chaban-Delmas (1969-1972), wordt er belangrijke sociale vooruitgang geboekt in het beroepsonderwijs en met betrekking tot de bescherming van armen en ouderen. Op Europees niveau wordt er een beslissende stap gezet: Frankrijk heft het veto op de Britse toetreding tot de EEG, uitgebreid tot Ierland en Denemarken, op en Europa telt vanaf 1973 9 leden. De regeertermijn van Valéry Giscard d’Estaing toont duidelijker de wil om een modern liberalisme (de ontwikkelde liberale samenleving) te implementeren en de sociale verhoudingen te moderniseren, met name gezien de radicale economische veranderingen in deze periode. Halverwege de jaren ’60 komen de “Trente glorieuses” (de naoorlogse periode van economische welvaart en vooruitgang) namelijk tot stilstand en Frankrijk gaat een periode van duurzame crisis tegemoet. Desondanks worden er belangrijke hervormingen doorgevoerd: meerderjarigheid bij 18 jaar, legalisering van abortus, einde van de censuur voor film en audiovisuele producties…. Valéry Giscard d’Estaing is overigens de initiator van de G7-bijeenkomsten (groep van de zeven meest geïndustrialiseerde landen) en samen met de Duitse kanselier Helmut Schmidt staat hij aan de oorsprong van het Europees Monetair Stelsel (EMS) en de algemene verkiezing van de gedeputeerden van het Europees parlement.

De wisseling van de macht
Terwijl binnen de meerderheid de politieke tegenstellingen toenemen tussen de UDF (Union pour la Démocratie française), partij van Giscard-aanhangers en centristen en de RPR (Rassemblement pour la République), de partij die in december 1976 werd opgericht door Jacques Chirac en die zich erfgenaam van het Gaullisme noemt, bereidt de oppositie onder leiding van François Mitterrand in de jaren ’70 een strategie voor om de macht te veroveren. De Parti socialiste, gereorganiseerd op het congres van Epinay (juni 1971) door François Mitterrand, de Parti communiste en de Radicaux de gauche (linkse radicalen) vormen voor de parlementsverkiezingen van 1973 een Union de la gauche en voeren een gezamenlijk regeringsprogramma. Ondanks de ingehouden spanningen en hoewel verschillende keren een breuk plaatsvindt die ook weer wordt hersteld en er afstand wordt gedaan van het gezamenlijke programma in 1978, wordt er in 1981 voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen opnieuw een Union de la gauche gevormd. François Mitterrand wint deze verkiezingen ten koste van de zittende president Valéry Giscard d’Estaing. Links komt voor de eerste keer sinds het uitroepen van de Vijfde Republiek aan de macht. Deze machtswisseling toont aan dat de grondwet van 1958, die volgens de beweringen op maat gemaakt was voor generaal De Gaulle, een democratische verandering van de politieke meerderheid toestaat zonder dat de stabiliteit van het bestuursapparaat eronder lijdt. De regering van Pierre Mauroy (juni 1981) telt vier communistische ministers en gaat over tot een reeks hervormingen: pensioen op 60-jarige leeftijd, invoering van de 39-urige werkweek, een vijfde betaalde vakantieweek, werving van ambtenaren, nationalisering van banken en industriebedrijven, vermogensbelasting, decentralisatie van de macht ten gunste van de lokale overheden, afschaffing van de doodstraf, einde van het staatsmonopolie op radio en televisie…. Maar het handelstekort stijgt schrikbarend, de schuld neemt toe terwijl de inflatie aanhoudt en de Franc zijn waarde verliest ten opzichte van de grote concurrerende munteenheden. De economische beperkingen zijn zwaar en na drie devaluaties op rij ontkomt Frankrijk in verband met de verplichtingen aan Europa niet aan een bezuinigingsbeleid. Het brein achter deze maatregel is Jacques Delors, de minister van Financiën. Hij maakt een einde aan de koppeling van de lonen aan de prijzen en stelt een beleid in van controle op de overheidstekorten, bestrijding van de inflatie en bescherming van de munteenheid. Met de aanstelling van Laurent Fabius als Eerste minister in juli 1984 en het vertrek van de communistische ministers is de ommezwaai naar een streng bezuinigsbeleid (de “tournant de la rigueur”, zoals de historici deze periode destijds omschreven), een feit.

Jaren negentig
In 1991 werd voor het eerst een vrouw premier van Frankrijk, Edith Cresson. Impopulaire maatregelen, o.a. premie- en belastingverhogingen, waren fnuikend voor haar populariteit en zij werd al in april 1992 opgevolgd door Pierre Bérégovoy. Deze trad als premier terug na de socialistische nederlaag bij de verkiezingen van 12 maart 1993 en werd opgevolgd door Edouard Balladur. In mei pleegde de teleurgestelde Bérégovoy zelfmoord, mede naar aanleiding van het mislukken van zijn economisch programma. De slechte economische situatie leidde in juli 1993 tot aanvallen door speculanten op de Franse franc. Het gevolg was dat de Franse franc in feite het Europees Monetair Stelsel moest verlaten.

De regering-Balladur kreeg in 1994 te maken met talrijke corruptieschandalen die enkele ministers tot aftreden dwongen.

Bij de presidentsverkiezingen van mei 1995 liet Jacques Chirac, leider van de gaullistische RPR en burgemeester van Parijs, eerst zijn partijgenoot Balladur achter zich en won in de tweede ronde ook van de socialistische kandidaat Lionel Jospin. Jean-Marie Le Pen van het extreem-rechtse Front National verwierf 15% van de stemmen. Na aanvankelijk enige van Chiracs verkiezingsbeloften te hebben ingelost, daalde de populariteit van premier Juppé, die een straf bezuinigingsbeleid voorstond, snel.
Een golf van stakingen legde eind 1995 het openbare leven lam en ook in oktober en november 1996 kwam het tot massale stakingen bij de spoorwegen, in de luchtvaart, het onderwijs en andere overheidsdiensten. Vrachtwagenchauffeurs gingen over tot blokkades ter verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, aan welke eis de regering gedeeltelijk tegemoetkwam. Intussen daalde de economische groei en bereikte de werkloosheid een naoorlogs record.

In 1995 werd Parijs opgeschrikt door een aantal terroristische aanslagen van de Algerijnse fundamentalistische-islamitische organisatie GIA en op Corsica vond in 1995 en 1996 een groot aantal bomaanslagen plaats door verschillende nationalistische bewegingen.

Begin januari 1996 overleed oud-president François Mitterrand. Bij gemeenteraadsverkiezingen in februari 1997 in het Zuid-Franse stadje Vitrolles behaalde het Front National een absolute overwinning, waarmee de vierde Zuid-Franse stad in handen viel van extreem-rechts, terwijl Nice wordt bestuurd door een geestverwant van Le Pen.
In het voorjaar van 1997 schreef president Chirac vervroegde verkiezingen uit in de hoop de positie van de regering-Juppé te versterken. In twee verkiezingsronden behaalden de socialisten onder leiding van Jospin en hun bondgenoten op 1 juni een grote overwinning en kwamen met 282 van de 577 zetels in de Nationale Vergadering.

In 1995 lokten Franse kernproeven op het atol Mururoa in de Stille Zuidzee felle protesten uit vooral van Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. Na de proeven ondertekende Frankrijk begin 1996 het Verdrag van Rarotonga voor een kernwapenvrije zone in de Stille Zuidzee. In juni 1996 maakte minister van Defensie Millon op een halfjaarlijkse vergadering van zijn NAVO-collega’s in Brussel bekend dat Frankrijk wilde meewerken aan een "nieuwe" NAVO met een aparte Europese defensie-identiteit.

In de aanloop naar de Europese top in Dublin van december 1996 ontstond onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over het stabiliteitspact, dat na inwerkingtreding van de EMU moet zorgen voor begrotingsdiscipline bij de deelnemende landen. Parijs pleitte voor meer politieke vrijheid: ruimere marges en minder autonomie voor de Europese Centrale Bank.

Met de vervroegde parlementsverkiezingen van mei/juni 1997 beoogde president Chirac extra tijd te creëren om, zo nodig, pijnlijke maatregelen uit te voeren die nodig waren om te voldoen aan de criteria voor deelname aan de EMU. Chirac gokte en verloor: winnaar werd de Socialistische Partij (PS) onder leiding van Lionel Jospin, die een coalitie vormde met de communisten (PCF) en de Groenen.
De populariteit van de nieuwe coalitieregering –Jospin was aanvankelijk groot, maar werd al spoedig op de proef gesteld door onder meer verzet van de vakbonden tegen saneringen in de sociale voorzieningen en dat van middelbare scholieren die in oktober 1998 massaal de straat opgingen om meer middelen voor het secundair onderwijs te eisen.

De invoering van een 35-urige werkweek in 1998 om meer arbeidsplaatsen te scheppen, deed de relatie tussen regering en werkgevers geen goed en in 1999 werd de positie van Jospin verder verzwakt toen minister van Financiën Dominique Strauss-Kahn, na Jospin de machtigste man in de regering, op 2 november zijn aftreden bekendmaakte, nadat hij van corruptie was beschuldigd.

21ste eeuw
In september 2000 spraken de Franse kiezers zich uit voor een grondwetswijziging waarmee de presidentiële ambtstermijn werd teruggebracht van zeven naar vijf jaar; 73% was voor de wijziging. In 2002 is parlementair rechts aan de macht gekomen na verrassend verlopen Presidentsverkiezingen, waarin extreem rechts in de eerste ronde er in slaagde de socialistische presidentskandidaat Jospin uit te schakelen. Het gevolg was brede steun voor de herverkiezing van President Chirac die Le Pen als kandidaat voor het Front National tegenover zich zag.
De regering en de door President Chirac benoemde eerste minister Raffarin ging - gezien de omstandigheden - voorzichtig aan het werk, volgens sommigen commentatoren zelfs te voorzichtig. Men wilde ten koste van alles de sociale rust handhaven omdat die essentieel werd geacht voor het handhaven van het consumentenvertrouwen en daarmee de werkgelegenheid. Noodzakelijke hervormingen, zoals belastinghervorming (in Frankrijk wordt nog steeds geen belasting aan de bron geheven) en liberalisering/privatisering van semi-overheidsbedrijven en hervorming van het gezondheidswezen, werden voor zich uit geschoven. In plaats daarvan concentreerde de regering zich op thema's als decentralisatie, veiligheid op straat en verhoging van de defensie-uitgaven. Toch werd het eerste jaar van de regering Raffarin voor de zomer van 2003 met een relatief positieve balans afgesloten. Successen werden met name geboekt bij de aanpak van de criminaliteit (minder misdaad) en de verkeersproblematiek (minder verkeersslachtoffers).

In de zomer van 2003 begon het tij te keren. In juli werd het regeringsvoorstel voor een institutionele hervorming voor Corsica met bijna 51 procent nee stemmen verworpen. Hierdoor kwam de decentralisatiewetgeving van de regering onder grotere druk te staan. Ook kwam er onverwacht veel verzet vanuit de bevolking tegen de wijzigingen van het pensioenstelsel, tegen het decentraal werven van ondersteunend personeel in de onderwijssector in het kader van het decentralisatiebeleid en tegen het aanscherpen van de uitkeringscriteria voor werknemers in de theater- en festivalwereld. Daarboven op kwam de catastrofaal verlopen hittegolf in augustus 2003 die meer dan 15000 slachtoffers eiste.

Daarna kwam de regering wat zijn populariteit betrof in een vrije val terecht: de pers sprak over het begin van het einde. Hoewel het er begin 2004 even op leek dat de regering vertrouwen terug won - onder meer vanwege de harde opstelling ten faveure van het niet confessionele karakter van de Franse staat (verbod van het islamitische hoofddoekje) - kreeg dit geen vertaling bij de regionale verkiezingen van 21 en 28 maart 2004. Links kreeg 13 procentpunten meer dan rechts (50,3 tegen 36,8 procent). Links kwam in alle regio's (ook de tot dan toe onneembare bolwerken van rechts) aan de macht. Met uitzondering van de Elzas en Corsica. Als gevolg werd een deel van de regeringsploeg vervangen en trad de regering Raffarin III aan.

In een televisietoespraak had President Chirac de vernieuwde regering Raffarin III geplaatst in het kader van de noodzaak van structurele hervormingen in Frankrijk. Hervormingen en sociale rechtvaardigheid dienden hand in hand te gaan. Frankrijk diende, aldus de president, een echte sociale dialoog voeren. Hervormingen dienen liefst breed gedragen te worden. Tegelijk dienen de staatsfinanciën te worden gesaneerd. De regeringsverklaring Raffarin III was in lijn met de wensen van de president.

Op zondag 29 mei 2005 heeft het Franse volk zich middels een referendum massaal uitgesproken tegen het Grondwettelijk Verdrag voor de Europese Unie. Chirac heeft hierop Dominique de Villepin tot premier benoemd en Nicolas Sarkozy als ‘ministre d’Etat’ (daarmee protocollair de nummer twee in de regering) herbenoemd in de functie van minister van Binnenlandse Zaken. Op voordracht van De Villepin is het regeringsteam drastisch hervormd en in omvang sterk gereduceerd (alle staatssecretarissen zijn geschrapt).

Op 9 juni 2005 legde premier De Villepin de regeringsverklaring af in de Assemblee. De aangekondigde maatregelen hadden met name betrekking op het sociaal-economisch beleid: "Frankrijk weer aan het werk helpen" was de centrale boodschap.

De kosten van het maatregelenpakket worden geschat op 4,5 miljard euro. De verlaging van de inkomstenbelasting die in 2006 zou worden doorgevoerd (aankondiging van President Chirac van juli 2004) wordt voorlopig opgeschort. De Villepin zal het werkgelegenheidspakket niet via wetten, maar via ‘ordonnances’ doorvoeren. Hij omzeilt daarmee lange procedures (en amendementen) in het Parlement. Oppositie verzette zich uiteraard stevig tegen deze vermeende ‘autoritaire’ bestuursvorm.

In de Franse pers wordt gesproken over de “nadagen van Chirac”. Er is sprake van duidelijke onrust binnen de regeringspartij UMP. De jongere generatie van rechtse politici wil voorkomen dat links in 2007 het Elysée weer overneemt en tracht daarom in de UMP het roer meer in eigen handen te nemen. Ook herinnert men aan het feit dat de UMP geacht was een doorbraakpartij te zijn, met allerlei stromingen en dus niet alleen Gaullisten of Chirac aanhangers. Achter dit streven naar herstel van de bloedgroepen kan men de opening van de eerste schermutselingen over de opvolging van Chirac zien. De benoeming van De Villepin in combinatie met Sarkozy, beide zeer ambitieus en mogelijk in de race voor het volgende presidentschap, roept vragen op over de teamgeest van de nieuwe regering.

Ook de socialisten zijn door de afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag zwaar aangeslagen. Hoewel de officiële partijlijn steun voor het verdrag voorschreef, leidde de tweede man van de PS, Laurent Fabius, een actieve nee-campagne. Na het Franse ‘neen’ restte partijleider François Hollande dan ook geen andere keuze dan Fabius als lid van het bestuur te royeren. De verdeeldheid binnen de PS is nu aanzienlijk. Het partijcongres van de PS is een half jaar vervroegd naar het najaar van 2005 teneinde de brokstukken te repareren voordat de campagne voor de presidentsverkiezingen van 2007 van start gaat.

bronnen: ambafrance.nl & landenweb.net

 
naar boven