|
Een parfum dat ruikt naar dood en
verderf - interview met Philippe Claudel
juli
2010
Hotel
Ambassade in Amsterdam. Philippe Claudel (1962) zit op een bankje dat
uitzicht biedt op de zonovergoten Herengracht en neemt een slokje van zijn
muntthee. In het voorjaar kwamen er twee
boeken van Claudel uit: in maart verscheen ‘Tot ziens, meneer Friant’
uit 2001 en eind april ‘Alles waar ik spijt van heb’ uit 1999. Twee
eerdere werken dus, want sinds het in 2007 verschenen ‘Het verslag van
Brodeck’ heeft hij niet meer aan een roman gewerkt. In ‘Tot ziens,
meneer Friant’ zinspeelt hij daar al op: ‘Ik denk trouwens dat ik op
een dag zal ophouden met schrijven, want de misverstanden worden met de
dag groter.’ ,,Die uitspraak van bijna tien jaar geleden is nu heden
geworden. Succes kan gevaarlijk zijn. Als jij een slechte roman schrijft
wordt hij niet uitgegeven. Als ik er een schrijf wel. Daar waak ik voor.” Vervelen deed hij zich
de afgelopen tijd alleszins niet. In 2008 verscheen zijn succesvolle
debuutfilm ‘Il y a longtemps que je t’aime’, waarvoor hij een César
en een BAFTA ontving, en inmiddels ligt het scenario klaar voor zijn
tweede film, ‘Silence d’amour’, dat deze zomer wordt opgenomen.
,,Het wordt een lichter verhaal deze keer, een komedie geïnspireerd op de
Italiaanse films uit de jaren zestig. Het verhaal gaat over een Italiaanse
muziekleraar die met zijn broer en zijn 15-jarige dochter in Strasbourg
woont. Na de dood van zijn vrouw heeft hij
moeite het vertrouwen in de liefde terug te vinden. Zijn dochter
probeert hem daarbij te helpen. Een vrolijke film, maar met een
schaduwkant, dat wel.”
Schilderkunst
Die
schaduwkant zet de toon in het oeuvre van Claudel. ‘Tot ziens, meneer
Friant’ is daarin wellicht het lichtst van toon. De verteller schetst
aan de hand van jeugdherinneringen en de schilderijen van de Franse
kunstenaar Émile Friant (1863-1932) een portret van zijn grootmoeder. De
novelle is, in tegenstelling tot wat de achterflaptekst doet vermoeden,
niet autobiografisch. “De enige link naar de werkelijkheid is het werk
van Émile Friant. En wellicht een paar details die alleen mijn vrouw zal
herkennen.” Claudel laat zich graag inspireren door de schilderkunst. Zo
ziet hij de roman ‘Zonder mij’ (2005) als een combinatie van de Action
paintings van Jackson Pollock en de vervormde, verwrongen lichamen van
Francis Bacon, en komt zijn bekendste boek ‘Grijze zielen’ (2004)
overeen met het werk van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich.
“Een van de vrouwelijke personages uit het boek gaat dagelijks naar de
top van een heuvel omdat ze verliefd is op een soldaat die ten strijde is
getrokken. Op de top kan ze naar het oorlogsrumoer op het slagveld in de
verte luisteren. Dat is typisch een beeld van Friedrich, die ook altijd
mensen bovenop een top van een berg schilderde. Die vergelijkingen worden
overigens vaak pas achteraf zichtbaar. Dat was in ‘Alles waar ik spijt
van heb’ bijvoorbeeld zo met de scène waarin de kist met de moeder per
boot naar het kerkhof wordt gebracht. Toen ik het teruglas zag ik het
schilderij Het eiland der Doden uit 1880 van Arnold Bucklin voor
me.”
De droom van
Claudel was om zelf kunstschilder te worden, maar hij vond zichzelf niet
goed genoeg. “Maar ik hou enorm van schilderkunst, van de Vlaamse
Primitieven bijvoorbeeld. Ik zou nu wel weer willen gaan schilderen, maar
ik heb er nog geen tijd voor. Ik mis de geur van verf, van het linnen, het
werken met kwasten en spatel. Gewoon, werken met echte materialen. Ik heb
wel geprobeerd te schrijven met een mooie vulpen op mooi papier, maar dat
gaat me te langzaam. Op mijn hotelkamer schreef ik voor dit interview een
tekst, die ik met de hand in zo’n korte tijd nooit op papier had
gekregen. Mijn hand kan mijn gedachten niet bijhouden. Ik heb 25 jaar met
een pen slechte teksten geschreven. Pas toen ik een laptop had, ik was
toen 33, 34, lukte het me om mijn gedachten tot een goed verhaal te
verwerken. Alsof ik een instrument bespeelde, een piano.”
Alles waar ik spijt van heb
Een van die
eerste verhalen is de roman ‘Alles waar ik spijt van heb’, dat net als
‘Tot ziens, meneer Friant’ wordt verteld aan de hand van
jeugdherinneringen. Om zijn moeder te begraven keert de verteller na
zestien jaar terug naar de plaats van zijn jeugd, een stadje in het
noorden van Frankrijk dat door de aanhoudende regen en de buiten haar
oevers getreden rivier is ondergelopen. Tijdens het verblijf van de
verteller in Hôtel de l’Industrie worden langzaam maar zeker de
familiegeheimen ontrafeld.
,,Het is een
boek over verzoening. De verteller is op zestienjarige leeftijd weggegaan
omdat hij zich door zijn moeder bedrogen voelde, omdat zij de ware
identiteit van zijn vader, die hij nooit heeft gekend, verborgen hield.
Maar tijdens zijn terugkeer in het dorp kantelt dat beeld. Zo gaat het ook
vaak in de werkelijkheid. Mensen hebben hun mening vaak al snel gevormd.
Te snel. Ik heb geleerd dat niets precies is zoals het op het eerste
gezicht lijkt.”
De
sfeer en ondertoon in het verhaal zijn, zoals in al Claudels boeken,
mistig en grauw.
Bij
de aanblik van het behang in zijn kamer van
Hôtel
de l’Industrie, mijmert de
verteller: ‘Alles ligt in dat behang besloten: schoonheid komt pas met
slijtage en verval, wanneer je er niet op bedacht bent; dat geldt voor de
schoonheid van dingen en die van mensen.’
Claudel
schildert scènes met een kwast gedoopt in een parfum dat ruikt naar dood
en verderf, met beschrijvingen die doen denken aan de portretten van de
Franse romantische schilder Théodore Gericault. Over Jos Sanglard,
eigenaar van Hôtel de l‘Industrie: ‘Zijn haar was grijs, zijn
armspieren leken op een slappe kalfslong, onder zijn gestreepte trui had
hij een ingevallen buik, en zijn blik… hij had een blik die nooit liegt,
Jos’ blik sprak over pijn en over breuken, over alle laffe daden van het
leven, over wrok en verveling; het was een blik die het einde al zag
naderen.’ Claudel laat zijn personages lopen op hun tandvlees, levend
tussen hoop en vrees bewandelen zijn hun lijdensweg naar het einde. Zoals
ook de wijndrinkende priester, die zich in de kerk bijna huilend laat
ontvallen dat hij nu eens eerlijk zou willen zijn, al was het maar voor
één keer…
,,De
scheidslijn tussen goed en kwaad is erg dun. In veel van mijn verhalen
komt een priester voor die het ook niet meer weet. En ik denk dat ze het
momenteel ook echt niet meer weten, na alle negatieve berichten van de
afgelopen tijd. Waar is god nu? Is hij met pensioen? Heeft hij nooit
bestaan? Ik leef altijd in twijfel, de ene helft van mij wil graag
geloven, maar de andere helft… het is onmogelijk. Het is grappig dat we
het hier over hebben, want de scène die ik voor dit interview op mijn
hotelkamer schreef ging ook over een priester in een kerk. Wellicht wordt
het een hoofdstuk in mijn nieuwe roman. Waar het heengaat weet ik nog
niet. Wel dat het een donker verhaal wordt, echt heel donker, naar het
zich laat aanzien.” Claudel schudt zijn hoofd, alsof hij het zelf ook
nog niet helemaal kan geloven. Maar hij schrijft weer. En dat is heel goed
nieuws.
De boeken van Philippe Claudel
kunt u bestellen op www.franseliteratuur.nl/Romans

Dit
is niet voor ons bedoeld, Charles mei
2010
Franse muziek
april
2010
Sinds we een platenspeler in de keuken
hebben staan, heb ik de afgelopen weken een twintigtal elpees gekocht.
Klassiek - Frédéric Chopin, Erik Satie -, maar vooral muziek uit de
jaren zestig. Jacques Brel, France Gall, Juliette Greco, Gilbert Becaud,
Francoise Hardy, Charles Aznavour. Vandaag komen er weer twee elpees bij.
Ik ben mij aan het onderdompelen in de Franse muziek. Vele namen van
zangers en zangeressen ken ik, maar hun muziek is mij, op enkele nummers
na, onbekend. De nieuwe platenspeler brengt daar verandering in, en ik
merk nu dat ik het heb gemist, het draaien van een plaat, het luisteren
naar de naald, naar de muziek die onder de naald voorbij draait. Ook het
struinen heb ik gemist, het vinden van nieuwe muziek in kringloopwinkels
en platenkelders. Zo kom ik namen tegen als Marie-Claire Pichaud en George
Brassens, en voor een euro neem ik ze mee om ze te leren kennen. Maar ook
internet is een prima plek om te struinen. Iets gevonden met Google en
daarna luisteren op YouTube. Wijntje, stukje kaas, en op de achtergrond
Charles die het leven bezingt. Twee dagen later wordt een vierkant
kartonnen pakket met drie of vier tweedehands elpees bezorgd, goed
dichtgeplakt met bruin tape, dat je ongeduldig maar behoedzaam openmaakt
om het glimmende zwarte vinyl uit de hoes te halen en op de platenspeler
te leggen.
Vandaag komt er met de post een zeer actueel pakket, met platen van Serge
Gainsbourg & Brigit Bardot en Jean Ferrat. Actueel omdat onlangs de
film Gainsbourg - Vie Héroïque van Joann Sfar in première is
gegaan, over de jonge Lucien Ginsburg die in 1941 door de straten van het
bezette Parijs paradeert met op zijn revers een gele ster die hij behendig
heeft omgevormd tot een sheriffster. Als hij jaren later afstudeert aan de
kunsthogeschool en als kunstenaar aan de kost probeert te komen met
optredens in plaatselijke bars en cabarets, ontstaat de ster van het
cabaret van de Swinging Sixties: Serge Gainsbourg. De ietwat
onconventionele Gainsbourg brengt zijn tijd door met mooie vrouwen als
Jane Birkin, Juliette Greco en Brigitte Bardot, met wie hij in 1967 Bonnie
& Clyde maakt.
De tweede plaat in het pakket, de single La Montagne, is van Jean
Ferrat, die afgelopen zaterdag 16 maart op 79-jarige leeftijd overleed.
Naast La Montagne, in Nederland beter bekend in de versie Het
dorp door Wim Sonneveld, staan er ook de nummers Autant D'Amour,
Autant De Fleurs, Hourrah! en Que Serais-Je Sans Toi op.
Mijn kennismaking met Ferrat, in 1930 geboren als Jean Tenenbaum in
Vaucresson bij Parijs, werd bekend in 1963 met het indringende Nuit et
Brouillard, waarin hij op het bonkende ritme van een bolero de
deportatie van duizenden Fransen naar de concentratiekampen beschreef, het
lot dat ook zijn eigen familie had ondergaan.
En zo is het onderdompelen in de Franse muziek begonnen. Als ik een glas
wijn inschenk en aan de keukentafel achter mijn laptop wil plaatsnemen,
wordt er op de deur geklopt. 'Het past niet door de brievenbus,' zegt de
postbode als ik de voordeur open. Ik weet niet of het een klacht is of
gewoon een constatering. 'Nee, ik ook niet,' zeg ik daarom maar. De
postbode overhandigt me het pakket, hij kijkt daar belerend bij. 'De
brievenbus is te klein,' zegt hij. Dat heb ik vaker gehoord, meer
postbodes klagen daar over. Het is of het weer, of een te kleine
brievenbus waar de postbode tijdens zijn ronde over inzit. 'Of de elpees
zijn te groot,' zeg ik met een glimlach, wijzend op mijn pakket. De
postbode fronst zijn voorhoofd en monstert de lucht. Gelukkig is het droog
vandaag.
Henri Matisse en Ignaz
Pleyel
maart
door Martijn
Couwenhoven
De smaak
van een gek
februari
2010
door Ilja Gort
Bakkerij
Poilâne bakt het beste brood dat je kunt kopen in Parijs. In de
supermarkt zul je het niet aantreffen, maar de doorzetter vindt het in een
onopvallend winkeltje in een smal straatje achter de drukke rue de Sêvres.
Daar opende de dwarse bakker Pierre Poilâne in 1932 zijn bakkerijtje en
hij deed er iets onverwachts: heel Parijs at stokbrood, dus besloot Pierre
om ronde platte broden te gaan bakken.
In plaats van de witte baguette waar elke Fransman mee onder zijn
arm loopt, specialiseerde Poilâne zich inbruin zuurdesembrood met een
vezelrijke consistentie. 'Nou ja,' lachten de buren schouderophalend. 'Een
gek. Die maakt het niet lang hier...'
Het werd een doorslaand succes. Na dertig jaar nam
zijn zoon Lionel het bakkerijtje over. Hij bouwde het uit,vergrootte de
productie en begon het unieke Poilânebrood te exporteren naar Engeland en
Azië. In 2002 zette Lionels dochter Appolonia het succes voort. Nu, op
haar 24e jaar, dirigeert deze jonge vrouw 137 werknemers, 3 winkels (2 in
Paris en 1 in London), een fabriek met 24 ovens in Parijs en een vloot van
23 vrachtwagens om distributeurs door heel Frankrijk elke dag te voorzien
van vers gebakken Pain Poilâne.
Sla bij de onverwoestbaar mooie 'Centaur' van César de hoek om en
vijftig meter verder sta je voor debescheiden etalage van de beroemdste
bakker ter wereld.
We treffen Appolonia Poilne in het winkeltje. Een vrolijke
meisjesvrouw met glanzend donkere ogen. Als we naar het recept van haar
brood vragen schudt zij haar donkere lokken. Nee, de bereidingswijze is
een goed bewaakt familiegeheim. Ze legt uit dat hun graan van duurzame
boerderijen komt, dat het meel gemalen wordt met molenstenen en het brood
wordt gezouten met zeezout uit Guérande en gebakken in houtovens, maar
meer laat zij niet los.
In die houtovens worden elke dag 15.000 broden gebakken, waarvan er 5000
zijn bestemd voor de USA. Naast een hele rits toprestaurants en
delicatessenwinkels worden daarmee vaste klanten bediend als Robert de
Niro, Steven Spielberg en Kevin Spacey.
Drie keer per dag staan de Poilâneliefhebbers in de rij voor een stuk
brood. Ik begrijp dat wel, want het eten van zo'n knapperige geroosterde
snee Poilânebrood met gerookte zalm of verse Chèvre is heerlijk, maar
vergt wat meer kauwgymnastiek dan gewoon stokbrood. Dat wordt veroorzaakt
door de vezelrijke consistentie, maar ook door iets anders: tussen de
desemvezels door, proef je het karakter van een kleine dwarse bakker, die
iets deed wat gespeend was van iedere vorm van logica. Uitgelachen en voor
gek verklaard, maar doorgezet en een held geworden. Dat geeft die lekkere,
knapperige bite waar je zo blij van wordt.
Aan de basis van Poilânes succes stond, naast uiteraard Pierre Poilâne
zelf, een kleine wijnbar aan de overkant van de straat: In 1954 Poilâne’s
first client was Au Sauvignon, a neighboring wine bar that served the
bread with cheese and charcuterie. A small poster indicated that they sold
Poilâne loaves: “Ici Pain Poilâne, sourdough bread, stoneground flour,
wood-fired brick ovens.” Finally, restaurants joined the trend.
- Archief Figaro
Boulangerie Poilâne 8, rue Cherche Midi, 75006 Paris. Téléphone
+33 145 48 42 59. Métro: Saint Sulpice

De Smaak van een gek verscheen in de Slurp!-nieuwsbrief van wijnboer
Ilja Gort, bekend van de La
Tulipe-wijnen en schrijver van Leven als Gort in Frankrijk, Overleven
als Gort in Frankrijk, Het Wijnsurvivalboek en de wijnroman Het
Merlot Mysterie.
www.tulipe.nl
Sneeuw!
januari 2010
door Martijn Couwenhoven
Ik stap uit bed en schuif het gordijn opzij. Sneeuw! De donkere ochtend
is een stuk lichter. Een centimeter sneeuw bedekt de straat, de auto's, de
daken. Ook mijn gemoed wordt meteen een stuk lichter. Het werkt
rustgevend, sneeuw, bij mij althans. Komt door de herinneringen die het
oproept. Fijne herinneringen.
Sneeuw is onlosmakelijk verbonden met mijn jeugd, met mijn eerste
herinneringen als kind. Ik ben geboren in een sneeuwmaand, in februari.
Tenminste, februari was
een sneeuwmaand, vroeger, een ijsmaand ook, want in februari werden de
meeste van de vijftien Elfstedentochten gereden. Er waren winters dat er
zoveel sneeuw viel, dat er niemand op mijn verjaardag kon komen. Ik geloof
niet dat ik dat erg vond, mijn broer en ik vermaakten ons wel buiten. We
speelden in de sneeuw totdat we bevroren waren. Mijn moeder sleepte ons
naar binnen, naar de badkamer, ze stopte ons in een warm bad om te
ontdooien. Eenmaal in een droge pyjama gezeten bij de openhaard met een
warme kop chocolademelk, voelde je je als herboren.
Als er in Nederland geen sneeuw lag, dan vonden we dat in het buitenland.
Skiën in Zwitserland of Frankrijk. Of, de keren dat we in Morzine en
Avoriaz verbleven, in beide landen op één dag. In Avoriaz ging ik
steevast met mijn broer de Pas de Chavenette af, ook wel bekend onder de
naam “Le Mur”. Het is, samen met “Le Tunnel” in Alpe D’Huez, een
van de meest steile pistes die ik ken. Eenmaal beneden ben je in
Zwisterland, waar we een rondje maakte via de Zwitserse skidorpen Champoussin
en Les Crosets om vervolgens via Chatel en Morzine weer terug in
Frankrijk.
Ook in de zomer stonden we geregeld op de ski's. Ik herinner me een zomer
in Noorwegen. Skiën in korte broek. Terwijl mijn vader, mijn broer en ik
een paar afdalingen maakten, lag mijn moeder onder aan de piste in bikini
in een ligstoel op ons te wachten.
Het is vandaag geen bikiniweer. Ik voel de vrieskou door het
slaapkamerraam heen. Ik ga me aankleden, de kinderen wakker maken en ze
vertellen dat het heeft gesneeuwd. Wanten aan, muts op, en naar buiten. We
gaan een sneeuwpop maken.
Sportschool
op z’n provençaals december
2009
door Caspar
Visser 't Hooft
Om de zoveel tijd vindt
mijn rug het leuk om krak te zeggen. Arme rug, hij heeft nog steeds niet
door dat hij dat kortstondige pretje met dagenlange zeurpijn heeft te
betalen. En ik die dan krom loop - krom voorover gebogen én krom naar
rechts. Afijn, een vertoning! Hoeveel drempels van hoeveel fysio –
ostheo – kinesitherapeuten heb ik intussen niet plat gelopen? Het hielp
altijd maar even, nooit langer. Wat ik wilde, dat was gemasseerd worden.
Lekker op een bank liggen en niks zelf hoeven doen. Nee, steevast begonnen
ze te zeuren over vervelende oefeningen. Ja, en hoe vaak hebben ze me niet
aangeraden me bij een sportschool in te schrijven om daar mijn spieren te
ontwikkelen, vooral die van de buik, de benen en de rug, omdat alleen goed
ontwikkelde spieren de ruggengraat in het gareel houden? Ik heb er nooit
gevolg aan gegeven. Ten eerste niet omdat ik daar te lui voor was, ten
tweede niet omdat me die sportscholen altijd een beetje louche leken. Iets
voor onderwereldtypes, voor uitsmijters bij de ingangen van goktenten en
bordelen. Ik zag ze daar al hangen met hun confectietorso’s, in van die
martelwerktuigen en spiermachines, en daarbij drugs dealen…
In m’n stoute schoenen
Ik ben deze zomer van stek veranderd. Zoveelste mijlpaal in je leven,
mooie gelegenheid om zekere goede voornemens in daden om te zetten. Ik
stap in m’n stoute schoenen, ik begeef me naar een club de forme,
die zich bij mij haast om de hoek bevindt, ik schrijf me in, en ik denk:
kome wat komen mag. Nee, laat ik eerlijk zijn. Zo heldhaftig was het ook
alweer niet. Ik was al een paar keer langs dat sportetablissement gereden,
en telkens had ik er brave oudere mensen uit zien komen. Goed, ook een
paar ijzervreters – maar die ijzervreters en die brave oudere mensen
schenen nogal gemoedelijk met elkaar om te gaan. Kortom, ik had al zo’n
vermoeden dat het met die half criminele patjepejers wel meeviel.
Een plek om recepten uit te wisselen
Eerst je spieren opwarmen. Ik zit op zo’n fietsding dat op de plek stil
blijft staan, hoe hard je ook trapt. Ik kijk om me heen, ik leg mijn oor
te luister. Voor mij zitten twee dames van rond de zestig op roeimachines.
Ze dragen strakke kleefpakken, die elke rimpel en ronding laten zien. En
van die rimpels en rondingen zijn er nogal wat. Ik zie dat ze de apparaten
op de laagste stand hebben gezet, dat wil zeggen op het minst zwaar. Erg
veel verbetenheid leggen ze niet aan de dag. Dat kan ook niet, want ze
zitten, al roeiende, met elkaar te kletsen. En ook met een madam met blond
geverfd kort haar die in een buikspierstellage zit, en die daar alleen
maar in zit te zitten. Waar ze het over hebben? Over eten. Over
recepten…
Een beetje pastis er doorheen…
Ik hoor namen vallen van gerechten die mij intussen al vagelijk bekend in
de oren klinken. Gerechten uit de streek, dat wil zeggen de Provence. De
dames hebben het over estouffades, bourides, fougasses, daubes. De
een zegt dat ze hier zoveel teentjes knoflook bijdoet, de ander dat ze er
altijd épeautres bij serveert, net als destijds haar grootmoeder.
Als de derde zegt dat ze door haar bouride (vraag me niet wat het
is – iets met vis, meen ik te begrijpen) altijd een flinke scheut pastis
gooit, gaan een paar kerels verderop, die wél nogal grondig aan hun
spierballen werken, hard lachen. Ze hebben blijkbaar de conversatie van de
dames gevolgd. Iets wat, naar ik vermoed, de dames heel goed wisten.
“Want we hebben er voor het eten zeker niet genoeg van genomen!” -
“Voor de dames, dan hebben die ook wat” - “Alsof die tijdens het
koken, in de keuken, niet een glaasje achterover hebben gedrukt” – “Allez
va, les gars, mogen nog
wat grammetjes spieren erbij”. Van hun kant wijzen de bodybuilders de
dames er niet op dat als ze zo door gaan met kletsen, en maar zo’n
beetje voor de vorm aan de laagste stand gewichten zitten te trekken, er
maar weinig grammetjes af-gaan. Nee, ze vinden het doodgewoon, en zoals
het hoort, dat daar die dames, die hun moeders zouden kunnen zijn, over
lekker eten praten. Dat moet je overal kunnen doen, ook in een
sportschool.
Ik ben het met ze eens. En ik weet het: mijn rug gaat betere tijden
tegemoet.
-
Caspar Visser ‘t Hooft is de auteur van Sprekend portret en De
ring van de keizerin, in 2005 en 2007 verschenen bij uitgeverij IJzer. Een
derde boek - de novellenbundel "Ontwaken" - is in het najaar
2009 door dezelfde uitgever in het licht gebracht. Caspar Visser 't Hooft
woont in Orange. Hij wisselt graag van gedachten over God en Frankrijk,
over literatuur en cuisine Française. Bezoek zijn website www.schrijverinfrankrijk.nl
voor meer verhalen.
Longwy
november
2009
door Martijn Couwenhoven
Het
is zeven uur in de ochtend en ik gooi mijn koffer in de achterbak. Vandaag
rij ik naar Frankrijk voor een vierdaagse persreis door de regio Lorraine.
Voordat ik vertrek krijg ik dikke zoenen voor onderweg, en ook een roze my
little pony met blauw haar van mijn dochter, dan ben ik tenminste niet
alleen in de auto en in mijn hotel.
Om kwart over twaalf rij ik mijn eerste bestemming binnen: Longwy. Ik kom
uit op een groot plein, het place Darche, waar de kerk en het Hotel de
Ville aan liggen. Het plein wordt omringd door bomen en parkeerplaatsen.
Mijn hotel vind ik in een zijstraat van het place Darche, de rue Gambetta.
Ik krijg de sleutel van kamer 10, gelegen op de eerste verdieping. Een
ruime kamer met roze behang, een tweepersoonsbed, een éépersoons en een
televisie. De badkamer heeft twee wastafels en een bad. Op een klein
bureau tussen de twee ramen die uitkijken op de rue Gambetta installeer ik
mijn laptop, en jawel, er is zowaar draadloos internet in het hotel
mogelijk. Ik heb nog twee uur voor mijn eerste afspraak: La fabrique des
Emaux de Longwy.
Longwy blijkt uit twee delen te bestaan: Longwy Haut en Longwy Bas. Ik
verblijf in Longwy Haut. Vanaf Haut heb je een prachtig uitzicht
over Bas en het Viaduc de
la Chiers
, dat de N52 over het dal draagt. Via de rue de Metz slingert de weg naar
beneden, naar het dal waar het station en de aardewerkfabrieken van Longwy
Bas zich bevinden.
Aan het eind van de dag, als ik van Longwy Bas terug loop naar Haut, kom
ik langs Le Monument aux morts, het monument ter ere van de
verdedigers van de stad in de Eerste Wereldoorlog. Ik bekijk de verwelkte
bloemen die aan weerszijden van het pad naar het monument staan. Als je
alleen op reis bent voel je je soms ook wat als een verwelkte bloem,
tenminste, dat gevoel overvalt me zo nu en dan. Ook al na één dag. Weg
willen zijn en thuis zijn tegelijk, dat is bijna onverenigbaar. Je moet
een keuze maken, want ertussenin verwelk je.
Maar de bloemen zijn mooi, daarom blijf ik staan om ze te bekijken en te
fotografen. Ze zijn misschien niet op hun best zo, maar ze stralen iets
wezenlijks uit, iets dat me geloofwaardiger overkomt dan een bloem in
bloei. Les fleurs fanées. In het Frans klinkt alles mooi, ook de
verwelkte bloemen. En nu ik zo naar de bloemen sta te kijken, bedenk
ik me dat Longwy ook een beetje is als een fleur fanée. Daar is niks mis
mee, je moet alleen iets meer je best doen om de schoonheid ervan in te
zien.
In
Parijs
oktober
2009
door Olivier van Beemen
Eén
trein is groen. iedere ochtend passeert de ene na de andere gele sneltrein
mij op mijn fietstocht van huis in Vogelenzang naar school in Haarlem. Ik
sla er geen acht op. De groengrijze nachttrein uit Parijs is anders. Die
zet aan tot dromen tijdens een saaie rit van bijna tien kilometer langs de
Leidsevaart, de oude trekvaart tussen Haarlem en Leiden. Meestal fiets ik
alleen, omdat ik de enige Vogelenzangse gymnasiast ben. De wind komt bijna
altijd uit het zuidwesten. Op de heenweg heb ik hem in de rug.
De nachttrein uit Parijs brengt structuur. Komen de wagons van de Société
Nationale des Chemins de fer Français langs als ik nog langs het
bollenveld voor het ouderlijk huis fiets, dan weet ik dat ik vaart moet
maken. Ben ik al bijna bij station Heemstede-Aerdenhout, dan kan ik het
verder rustig aan doen. tenzij de nachttrein vertraging heeft: soms is er
helemaal geen nachttrein, terwijl ik keurig op tijd de Jacobijnestraat in
Haarlem binnenrijd, waar de school is gevestigd.
De nachttrein uit Parijs biedt ook afleiding. Amsterdam, dertig kilometer
verderop, is een grote, verre stad en de gedachte dat er rails liggen tot
aan Parijs, fascineert me. De passagiers, verscholen achter hun
gordijntjes, zijn een avond eerder op het Gare du Nord opgestapt en rijden
nu langs de Leidsevaart, net als ik.
Ik ben nog nooit in Parijs geweest.
Dat verandert in de zomer van mijn achttiende verjaardag. Met een groepje
vrienden ga ik naar de Franse hoofdstad, met de nachttrein. Die gaat dan
nog via Haarlem, terwijl de meeste internationale treinen langs Schiphol
rijden. Voor ons is Parijs een tussenstop van enkele dagen, waarna we
doorreizen naar Noord-Italië.
Iets na half elf stappen we op in station Haarlem. ‘Paris Nord’
vermeldt het vertrekbord. De Franse conducteur, een dikke man met strenge
pet die meer ontzag inboezemt dan zijn Nederlandse collega’s, komt
direct de coupé binnen en neemt onze railpas én paspoort in. Daar hebben
we niet op gerekend. Is deze man wel te vertrouwen, zullen we onze
documenten ooit terugzien? Veel keus hebben we niet. Beter zoeken we onze
toevlucht tot de meegenomen biertjes. Ik heb per ongeluk maltbier gekocht.
Vogelenzang en de Leidsevaart liggen achter ons voordat ik goed en wel
naar buiten kan kijken.
Ook van maltbier moet je vroeg of laat naar de wc. Ik volg de pijltjes
richting het uiteinde van de wagon. Geen wc. Wel is er een groot
uitgevallen ruimte met een wastafel. Het kwartje valt wanneer ik een klein
gaatje in de vloer zie. Meteen denk ik aan de Franse campings waar ik
zoveel zomers met mijn ouders heb doorgebracht: dit is een Franse wc, een
hurktoilet. Trots op zoveel culturele kennis, richt ik op het gaatje. De
vloeistof blijft echter liggen en met de schommelingen van de trein moet
ik oppassen dat mijn schoenen droog blijven. Ik kan weinig anders dan het
bevuilde hok verlaten en zie om het hoekje een andere ruimte, met een pot,
een bril en een pedaal om door te spoelen. Ik schaam me. Ik ken Frankrijk
minder goed dan ik denk.
* Uit het in
oktober 2009 verschenen: In Parijs.Bekijk
ook www.parijsblog.nl
van Olivier van Beemen en bestel een gesigneerd exemplaar!
Afwassen
september
2009
door Martijn Couwenhoven
Sinds
de zomervakantie hebben wij geen vaatwasser meer. Hij is er nog wel, maar
ik negeer hem. Voor mij bestaat hij niet meer.
Het is al vaker voorgevallen dat we na een kampeervakantie terug wilden
naar de eenvoud en zaken als de televisie en de vaatwasser afzworen, maar
meestal werden ze na een paar dagen toch weer in genade aangenomen. Nu is
het echter menens. Met de vaatwasser dan. De televisie mag blijven, maar
dan alleen voor de publieke omroepen.
We zijn nu drie weken thuis en ik doe het graag, afwassen. En het liefst
alleen. Doordeweeks twee keer, in het weekend drie keer per dag. 's
Ochtends, 's middags en 's avonds. Mijn vrouw biedt meestal wel aan om te
helpen met afdrogen, maar dat wil ik niet. Afwassen, afdrogen, opruimen,
ze horen bij elkaar, deze drie verschillende handelingen vormen samen één
geheel. En wat een overzichtelijke bijkomstigheid is, is dat deze
handelingen altijd in dezelfde volgorde gedaan moeten worden, net zoals
douchen, afdrogen en aankleden. Een andere volgorde is uitermate onhandig.
Door het afwassen heb ik ook weer aandacht en oog voor onze borden en het
bestek. Communicatie creëert verbondenheid. Niet dat ik tegen de vorken
sta te babbelen of de dag doorneem met de lepels, maar het geeft een
zekere rust het eetgerei eens rustig door je handen te laten gaan en het
vervolgens schoon en droog in de bestekbak terug te leggen. Ik heb de
bloemetjespatronen op onze oude Franse borden nooit zo bestudeerd, maar nu
zie ik hoe mooi ze eigenlijk zijn.
Op de onderkant ontdekte ik stempels met de naam en plaats van de
fabricanten. Saint-Amand-les-Eaux, Lunéville, Longwy, Badonviller. Dat
vroeg om een onderzoek naar hun herkomst.
Hamage & Moulin des Loups, een groene stempel met een molen,
is een keramiekfabriek die in 1705 zijn oorsprong vond in
Saint-Amand-les-Eaux, in de regio Nord-Pas-de-Calais. De plaats ligt in
een omgeving die ideaal was voor het vestigen van een aardewerkfabriek.
Rivieren en wegen voor de aan- en afvoer van het materiaal en bossen
waarmee de ovens verwarmd konden worden.
Lunéville (Demi-porcelaine Lunéville), Longwy en Badonviller
liggen alle drie in het departement Meurthe-et-Moselle, in de regio
Lorraine in het Noordoosten van Frankrijk. Deze streek heeft een lange
traditie van aardewerkfabrieken die terugvoert tot het begin van de
achttiende eeuw. In 1728 vestigt Jacques Chambrette de eerste
aardewekfabriek in Lunéville, langs de rivier La Meuse (de Maas). Overal
in deze bosrijke regio, de bomen geven een prima opbrengst voor de
bakovens, wordt in die tijd aardewerk gemaakt: naast de al genoemde
plaatsen ook in Saint-Clément, Pexonne, Niderviller en Sarreguemines.
De aardewerkfabriek van Badonviller is ontstaan nadat Nicolas Fenal, die
sinds 1828 eigenaar van een fabriek in Pexonne was, zijn fabriek in 1897
verplaatst naar Badonviller. In 1887 werkten er 370 arbeiders in Pexonne,
wat wel aangeeft hoe groot de fabriek was. De verhuizing naar Badonviller
was dan ook opvallend, helemaal omdat er geen van de noodzakelijke
grondstoffen voor het maken van aardewerk aanwezig waren: geen klei, geen
kalk, geen kaolien. Toch lukte het Nicolas Fenal, en later zijn zoon Édouard,
die ook de fabrieken in Lunéville en Saint-Clément kocht, om er een
florerende fabriek van te maken.
Voilà, het begin van de geschiedenis van onze borden is er. Dat eet toch
anders, nu ik iets van hun achtergrond weet. De meeste fabrieken uit die
tijd zijn inmiddels gesloten, onze borden komen waarschijnlijk uit de
laatste productiejaren en zullen ongeveer tussen de dertig en vijftig jaar
oud zijn. Het liefst spring in nu in de auto om naar Noord-Frankrijk te
rijden en de plaatsen en de oude fabrieken te bezoeken, of wat daar nog
van over is.
Nooit gedacht dat ik me ooit zou interesseren voor aardewerk.
De vaatwasser had mij deze geschiedenis overigens nooit geleerd.
Ik dek alvast de tafel voor het middageten met de zojuist afgedroogde
borden van het ontbijt. Twee borden uit Saint-Amand-les-Eaux, één uit
Lunéville en één uit Longwy. Want dat is ook het mooie van afwassen,
dat het zowel de afronding van als de voorbereiding op een maaltijd is.
Honfleur
en Le Havre, Boudin en
augustus
2009
door Martijn Couwenhoven
Op de heenreis naar onze zomerbestemming in
Bretagne overnachten we op de camping in het mooie Honfleur. Staand aan de
monding van de Seine kijk je uit op de havens van Le Havre, de grootste stad van
Normandië, ontstaan in de Middeleeuwen; de stad waar Claude Monet opgroeide.
Niet dat hij er een vervelende jeugd had, maar Monet verveelde zich nogal in Le
Havre. In een stad waar voornamelijk zakelijk denken gestimuleerd werd, voelde
deze jonge creatieve geest, die bovendien wars van regels was, zich niet echt
thuis. Zijn verblijf op school, dat hij vergeleek met een gevangenis waar hij
niet meer dan vier uur per dag kon doorbrengen, was ook geen succes. Maar we
mogen blij zijn dat hij uitgerekend dáár was, aan zee, wat een prima plek was
om je te gaan vervelen, want het was de verveling die tot creativiteit leidde en
hem aanmoedigde om te gaan tekenen. Toen hij een jaar of vijftien was begon hij
karikaturen te tekenen van zijn klasgenoten. Een paar jaar later, in 1857,
inmiddels geld verdienend met de karikaturen van de burgerij in Le Havre, was
zijn reputatie als karikaturist gevestigd.
Zijn werk werd nu voor het eerst tentoongesteld, bij de plaatselijke
lijstenmaker, naast het werk van Eugène Boudin. Boudin, begin dertig en
afkomstig uit Honfleur, herkende in de tekeningen het talent van de jonge Monet
en nodigde hem uit om met hem te werken in de buitenlucht. Toen Monet de tachtig
al gepasseerd was, zei hij over die periode: "Boudin zette zijn ezel
neer en ging aan het werk. Ik begreep ineens wat schilderen kon zijn... mijn
lotsbestemming als een schilder openbaarde zich voor me. Als ik inderdaad een
schilder ben geworden, dan dank ik dat aan Eugène Boudin. Dankzij hem gingen
mijn ogen open en begreep ik de natuur."
Ik ken één zwartwitfoto van Monet uit die tijd. Een jaar of negentien zal hij
zijn geweest, mooi in een donker pak, met een wollen gilet, witte blouse,
sjaaltje om de nek, linkerhand in de zak van zijn broek, en zo een beetje
hautain van de camera wegkijkend. En: baardloos. Dat was wat me nog het meeste
opviel. Natuurlijk had hij op die leeftijd nog geen baard, slechts lichte
haargroei op zijn bovenlip wat het begin van een snor zou kunnen zijn, hooguit.
Maar die baard is later juist zo karakteristiek voor hem geworden, zoals
bijvoorbeeld de steek dat voor Napoleon is. Maar de baard zat toen
waarschijnlijk nog in de keel van deze jongeman, die het inmiddels wel gezien
had in Le Havre en tegen de zin in van zijn vader naar Parijs vertrok om uit te
groeien tot een van 's werelds meest bewonderde kunstenaars.
Piaf
juli
2009
door Martijn Couwenhoven
Een
serie van vierenvijftig liefdesbrieven van de Franse zangeres Edith Piaf hebben
deze week 67.000 euro opgebracht bij veilinghuis Christie's in Parijs. Ze werden
via de telefoon gekocht door een onbekende bieder. Ik kan u verzekeren: ik was
het niet.
De brieven, geschreven tussen 15 november 1951 en 18 september 1952, waren
gericht aan de Franse wielerkampioen Louis Geradin. Weinig te vinden op internet
over deze Geradin. Alleen een kaart uit 1936, van een door Nestlé uitgegeven serie met
wielrenner als Jacobus Van Egmond en Joseph Scherens. De relatie tussen Piaf en
Geradin eindigde in 1952 toen de zangeres trouwde met de Franse acteur Jacques
Pills.
Piaf. Haar aantrekkingskracht blijft groot. Het is de intensiteit waarmee ze
haar dagen sleet die intrigeren, de ontembare gepassioneerdheid die ook terug te
vinden is in het werk van Camille Claudel, van Boris Vian, of, dichter bij huis,
van Herman Brood. Zou een mooi stel zijn geweest, Piaf en Brood.
De lijst met minnaars van Piaf is overigens lang, om op de veiling van de
brieven terug te komen. Dus wellicht kunnen we nog veilingen verwachten met
brieven aan Paul Meurisse, Henri Contet of Yves Montand, om er een paar te
noemen. Er bestaat trouwens een prachtige zwartwitfoto van Piaf en Montand,
genomen rond 1946. Een ansichtkaart ervan staat bij ons in de keuken. Een
verliefd stel, zittend op de achterbank van een cabriolet. Of in een attractie
op de kermis, een reuzenrad wellicht, dat is niet helemaal goed te zien. Wel
goed te zien is de vreugde die de twee uitstralen, de jonge twintiger Montand en
de bijna tien jaar oudere Piaf. En een gelukkiger kijkende Piaf ken ik eigenlijk
niet. Misschien dat de foto daarom zo’n aantrekkingskracht heeft, door het
besef dat deze vrouw in haar tragische leven ook mooie momenten heeft gekend,
liefde heeft gevoeld, geluk heeft ervaren.
De kaart van Piaf en Montand heeft inmiddels min of meer een troostende werking
gekregen, ten minste, ik heb hem die toegewezen, voor als het persoonlijk even
minder soepel verloopt. Dan vindt u mij in de keuken en kijk ik naar de kaart en
beproef ik mijn geluk.
Paris-sur-Mer
juni
2009
door Martijn Couwenhoven
De lucht brak open, regenwolken maakten
plaats voor helder blauw. De ochtendkou stroomde samen met de regen door de goot
van de rue Greuze, richting Trocadero. Ik liep stroomopwaarts naar de bakker
voor een stokbrood en vier croissants.
Op de hoek van de rue Greuze en de rue des Sablons, voor café-brasserie Les
Sablons, stonden twee mannen met een sigaret in de mond te wachten tot ze naar
binnen konden. Het rolluik was al omhoog, en nu ging ook de deur open. Een man
met een blauw schort voor, waaronder een flinke buik schuil ging, kwam naar
buiten met een vuilniszak. Aan de bar zaten drie mannen druk gebarend te praten,
alsof ze de nacht in Les Sablons hadden doorgebracht. En wellicht was dat ook
zo.
‘Bonjour patron,’ zeiden de wachtende mannen. De patron knikte, schudde de
mannen de hand en ging een deur naast zijn café binnen om de vuilniszak weg te
brengen. De mannen gooiden hun peuken in het water in de goot en liepen naar
binnen. Parijs ontwaakte.
Via de rue des Sablons liep ik naar Place de Mexico. Het rook er, vreemd genoeg,
naar vis. Bij Italiaans restaurant Di Vino stond een witte koelwagen. Een man in
een witte overall tilde een witte plastic kist het restaurant binnen, een
geurspoor van de zoute zee, van garnalen en oesters achter zich latend, waardoor
ik me even in een Normandisch kustplaatsje waande, ver van de stad, waar
tractoren op het strand de vissersboten op trailers uit zee reden en de vangst
naar de stalletjes op de boulevard brachten.
Dorpse taferelen. Maar ik was in Parijs. Paris-sur-Mer.
Het dorpsgevoel werd nog even aangewakkerd toen een meisje, ze was een jaar of
twaalf, in paardrijkleren op een step voorbij kwam. In haar hand hield ze een
zweep, aan het stuur hing haar cap. Ze was waarschijnlijk op weg naar de manege
in het Bois de Boulogne, niet ver hier vandaan, aan de andere kant van de
Périferique.
Ze kwam uit de avenue d’Eylau, die loodrecht op de Eiffeltoren afloopt. Door
zijn enorm krachtige uitstraling, maar ook ingegeven door het meisje in
paardrijkleren, moest ik bij de aanblik van de Eiffeltoren ineens aan een
steigerend paard denken. Wellicht werd dat beeld nog eens versterkt doordat de
kinderen de dag tevoren in de draaimolen bij de Eiffeltoren zaten, waar op het
dak een steigerend houten paard in de rondte draaide.
Het meisje had voor dit alles geen oog, zij had haar step de sporen gegeven,
stak het Place de Mexico over en verdween in de rue de Longchamp.
Café
Pierre
mei
2009
Daags
na het overlijden van Martin Bril ben ik in Parijs. In het appartement waar ik
te gast ben hangt in het toilet
een aantal van zijn columns. Zittend lees ik over zijn vaste adres in Parijs,
café Pierre, op de hoek van de rue Beaurepaire en Boulevard de Magenta, vlakbij
Place de
la République.
Mijn vaste adres in Parijs is café
La Palette
in de rue de Seine. Een van de obers lijkt op Louis de Funès, maar alleen qua uiterlijk; de man is
de rust zelve en serveert je je glas als was het een bonbonnetje.
Tijdens dit bezoek zal mijn vaste adres echter café Pierre zijn.
Niet veel later steek ik Place de la République over en loop
naar café Pierre. Ik neem plaats aan het ronde tafeltje aan het raam en bestel een
Kronenbourg.
Het eerste boek dat ik Martin Bril las was Voordewind. Ik kocht het destijds, het zal in
1992 zijn geweest, in de ramsj bij modern antiquariaat Van Gennep op de
Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Ik had het boek opgepakt van een tafel in
het midden van de winkel omdat de titel me aansprak. Voordewind. Ik was twintig
en bezong het leven meestal met het gevoel van Tegendewindin. Toen ik
na een half uur een stijve nek kreeg van het staand lezen, besloot ik het te
kopen.
Ik herinner me nog dat ik me vlak na dat besluit bemoeide met de keuze van een
klant. Het was een meisje van mijn leeftijd, ze had geen
verstand van boeken, zei ze tegen de verkoper, desalniettemin zocht ze een leuk
boek, voor haar vriend.
Met de ene hand in mijn nek en in de andere Martin Bril raadde ik haar aan
Voordewind te kopen. Maar de verkoper keek
me geïrriteerd aan en zei dat hij dat nu juist géén bijzonder boek vond. Hij
drukte haar dan ook een ander boek in handen, een boek dat híj goed vond.
Even later stond het meisje naast me bij de tramhalte, het zojuist gekochte boek ingepakt onder haar arm. Ik
vroeg of ze werkelijk indruk wilde maken op haar vriendje. Ze keek
me vertwijfeld aan. De tram kwam ondertussen rinkelend over het Spui aangereden.
Nu kon ze nog met me ruilen, hield ik haar voor, maar dan wilde ik wel graag
haar bon
erbij.
Ze zwaaide dankbaar naar me vanachter het raam toen de tram richting de Dam
vertrok. Ik zwaaide tevreden terug, stak de straat over en betrad
glimlachend de treden naar de voordeur van Van Gennep.
Terug naar café Pierre. Ik bevind me inmiddels op het toilet. Hier stond Bril ook, en niet eens zo
lang geleden nog. Witte, rode en gele muurtegels. Er hangen geen columns. Ik
blijf staan deze keer.
In
het spoor van Monet (2) april
2009
Naar aanleiding van de column van vorige maand -
zie In het spoor van Monet (1) -
ontving ik een intrigerend mailtje:
"Geachte heer Couwenhoven,
Bijgevoegd vindt u een foto van een
schilderij, recentelijk gemaakt door Gena Webb, een Engels schilderes,
woonachtig in Zuid-Frankrijk. Voor dit schilderij heeft zij zich laten
inspireren door een bezoek aan het huis van de schilder Monet, waar zij enkele
foto's van de vijver in de tuin heeft genomen. Nadat zij het schilderij thuis
had afgemaakt zag zij, twee dagen later, een silhouet van een man die sprekend
op Monet lijkt, linksonder in het schilderij. Zij vertelde dit aan ons en liet
ons het schilderij zien, en wij vonden het frappant. Wij kennen haar heel goed,
het is een zeer spirituele vrouw met paranormale gaven, en wij geloven haar voor
100% toen zij ons vertelde dat zij geen idee had hoe dat silhouet erin was
gekomen. Ze heeft het er nooit bewust in willen schilderen. Nu zijn mijn broer
en ik twee nuchtere Hollanders, maar we vinden dit zo frappant, dat we aan haar
hebben voorgesteld dit schilderij mee te nemen naar Holland en dat aan een
kunstexperts te laten zien, en vragen wat zijn mening is. Of dit toeval is, vaker
voorkomt, of het mogelijk is om dat silhouet opzettelijk/technisch in het
schilderij te schilderen? Wij zenden u dit
toe omdat u als Monet- en kunstkenner over een dergelijke verschijning van Monet
op het schilderij wellicht uw oordeel wilt geven.
"
Ik bekeek de meegezonden foto en zag inderdaad een gestalte die aan de
beschrijving van Monet voldoet. Omvang, hoed en baard in orde, ongeveer hoe
Claude Monet er in 1920 op tachtigjarige leeftijd uitzag. Maar zou de trotse
Claude Monet een schilderij van, met alle respect, Gena Webb verkiezen om zich
aan de mensheid te tonen? Nee, ik denk dat hij voor zijn rentree het bruisende
kunsthart van Parijs zou kiezen, een van zijn waterlelieschilderijen in de
Tuilerieën bijvoorbeeld.
Alhoewel ik niet geloof in dergelijke verschijningen, bleef ik er toch een
tijdje over nadenken. Want waarom zou Gena, die blijkbaar toch een status als
zeer spirituele vrouw met paranormale gaven heeft, waarom zou ze die status
middels bedrog op het spel zetten? Niemand zou haar bij ontmaskering immers nog
serieus nemen. Is de verschijning dan toch echt is en dus wonderbaarlijk? Of
heeft Gena, op de zoek naar de grenzen van haar werkelijkheid, het risico
ontmaskerd te worden voor lief genomen? Oordeelt
u zelf...
In
het spoor van Monet
(1)
maart
Het is niet mijn gewoonte om de loftrompet te
steken over mijn eigen werk, maar de uitgave van het boek In het spoor van
Monet vervult mij toch met enige trots.
In het spoor van Monet bevat naast columns vooral verhalen die ik de
afgelopen jaren schreef over de bezoeken, meestal in het gezelschap van mijn
vrouw, aan Frankrijk, verhalen over de plaatsen in Normandië waar Claude Monet
(Parijs, 1840 - Giverny, 1926) heeft
gewoond en geschilderd. Giverny en kustplaatsen als Pourville
en Varengeville. Maar ook (de musea in) Parijs uiteraard, en Zaandam,
mijn woonplaats, waar ook Monet in
1871 enkele maanden verbleef. Hij schilderde er onder andere de molens aan
de Achterzaan. Een van die molens, De Jonker, was in het bezit van mijn
overgrootvader, de laatste molenaar van onze familie. Hij ging failliet door de
komst van de fabrieken, waarmee een molenaarstraditie eindigde die terugvoert
tot de 17e eeuw.
Wijnspecialist en Frankrijkliefhebber Hubrecht Duijker schreef in februari op zijn
website:
"Wijn komt er nauwelijks in ter sprake, maar mijn favoriete Franse
impressionist wel: Claude Monet. Vandaar dat ik graag enkele woorden wijd aan
In het spoor van Monet, een klein, kostelijk boekje van Martijn Couwenhoven.
Naast een aantal luchtige, columnachtige verhalen bevat dit acht hoofdstukken
gewijd aan plekken waar Monet gewoond en gewerkt heeft, alsmede aan enkele musea
waar zijn werken hangen. Alles leest heel prettig, en je krijgt hevige aandrang
om Monet zélf te gaan volgen, in het spoor van Couwenhoven."
Een kostelijk boekje, schrijft Hubrecht Duijker. Ik heb het woord kostelijk lang
niet gehoord. Mijn vader gebruikt het ook bij tijd en wijle. In de jaren zestig
hebben ze enige tijd op hetzelfde reclamebureau gewerkt, dus toen moet dat woord
in zwang zijn geweest.
Toen ik mijn vader mailde dat Hubrecht Duijker aandacht
aan mijn boek had besteed, vroeg hij mij de groeten over te brengen. Dat deed ik
per mail, waarop Hubrecht antwoordde dat hij mijn vader nog als de dag van
gisteren voor zich zag.
'Zei hij dat?' zei mijn vader toen ik hem dat mededeelde. 'Kostelijk.'
Tot zover de loftrompet.
Ik zou zeggen: bestel
en lees dat kostelijke boek!
Terwijl in Frankrijk honderdduizenden mensen de straat op gingen om te protesteren tegen de manier waarop Sarkozy de economische
crisis aanpakt, kondigde de Franse president aan dat de musea voor bezoekers tot 25 jaar
gratis toegankelijk worden. Want ondanks de economische crisis was
2008 voor Frankrijk in cultureel opzicht een absoluut recordjaar.
Al zo'n anderhalf jaar klagen de Fransen over hun teruglopende koopkracht, zeker sinds de
economische crisis. Vandaar dat het nieuws van de
culturele records met enige verbazing bekend werd gemaakt. Boeken,
films, muziek
- in alle disciplines werden successen geboekt.
Neem bijvoorbeeld de film Bienvenue chez les Ch’tis (zie ook Cinéma
op deze site). Met meer dan twintig miljoen bezoekers de best bezochte Franse film
aller tijden (La Grande Vadrouille uit 1966, met Louis de Funès, trok ruim 17 miljoen
bezoekers). Bienvenue chez les Ch’tis zou een reactie zijn op de
permanente depressie waarin Frankrijk lijkt te verkeren.
De
komedie van acteur-regisseur Dany Boon, die speelt in een vergeten uithoek van
het land, heeft een snaar in het Franse gemoed geraakt. Bij de Ch’tis dus –
een ook in Frankrijk tot voor kort vrijwel vergeten naam die staat voor zowel de
noorderlingen uit de oude mijnstreek als hun taal. De gevolgen zijn
te zien in Bergues, een vestingstadje tussen Duinkerken en België, waar
de film zich afspeelt. Bergues
wordt sinds de film overspoeld door toeristen. Vorig jaar kwamen er
volgens het Office du Tourisme 500 gasten in een maand, nu komen er 1.000 op één
dag.
Ook de musea kenden een goed jaar. Het Louvre trok 200 duizend bezoekers méér dan in
2007: 8,5 miljoen. In het Centre Pompidou kwamen 2,75 miljoen bezoekers. En ook musea buiten Parijs maakten een groei bekend.
Volgens Marie-Christine Labourdette,
directeur van de gezamenlijke Franse musea, spoort de crisis de mensen aan zich naar
veilige plekken te spoeden. "De wereld verandert, de toekomst baart
zorgen. De onaantastbaarheid van kunstwerken en de stabiliteit van musea
werken dan geruststellend."
Et voilà. Voor Fransen is cultuur net zo vanzelfsprekend als eten en drinken, het is een
belangrijk onderdeel van het leven en daar geniet je van, en dus het laatste waar op bezuinigd
wordt. Crisis of niet.
Henri
Matisse
januari
2009
Het nieuwe jaar dampt nog
na van het verlaten van het oude en de eerste reis naar Frankrijk is al
gepland: we gaan naar Le Cateau-Cambrésis.
Le Cateau-Cambrésis ligt in de regio Nord-Pas-de-Calais en heeft rond de 8000
inwoners.
Op de valreep van 1869, namelijk op 31 december, werd in Le Cateau-Cambrésis Henri Matisse
geboren. Hij is de reden van onze reis naar Noord-Frankrijk.
Matisse stond in 1952, twee jaar voor zijn dood, een groot aantal werken
af aan zijn geboorteplaats, die in het stadhuis tentoongesteld werden.
In 1982 werd het museum tijdelijk verplaatst naar het oude paleis van de
aartsbisschoppen van de stad Cambrai en na een grondige restauratie werd
het Musée Matisse in 2002 heropend. Het bevat circa 170 werken van de
grondlegger van het Fauvisme en is daarmee de derde grootste collectie van zijn werken
in Frankrijk. Het museum toont een bijzonder overzicht van zijn
oeuvre, van zijn allereerste werken uit 1895 tot een volledige zaal die
gewijd is aan de studies voor de Kapel van Vence (Matisse ontwierp en
beschilderde deze kapel in Zuid-Frankrijk als dank voor zijn verpleging
door de zusters van het klooster). De meest intieme ruimte bestaat uit
tekeningen die Matisse maakte tijdens zijn studies aan de Academie in de
jaren veertig.
Van april tot en met juni wordt de tentoonstelling 'Matisse et
L’abstraction' georganiseerd, waarin aan de hand van de vaste
collectie van het Matisse museum en van bruiklenen uit private en
publieke collecties, getoond wordt hoe het oeuvre van Matisse invloed
heeft gehad op de Amerikaanse abstracten. Er worden werken getoond van
onder meer Jackson Pollock, Mark Rothko, Barnett Newman, Sam
Francis, Ellsworth Kelly, Frank Stella, Daniel Buren en Blinky
Palermo.
Omdat ik het gevoel heb met mijn schilderijen te balanceren tussen
Matisse en Monet enerzijds en de zojuist genoemde abstracten anderzijds,
is dit een niet te missen tentoonstelling. En het jaargetijde waarin de
tentoonstelling valt zit mee: we kunnen er meteen een mooie
voorjaarsweek aan vastknopen om Arras te bezoeken, Cambrai of Amiens.
Kunst en vakantie blijven mijns inziens een ideale combinatie. Veel
plezier met het boeken van een vakantie voor het nieuwe jaar!
Er
waren eens twee vogeltjes december 2008
We zitten aan het toetje als mijn zoon vraagt: 'Wie is Julius Caesar?'
Ik slik mijn yoghurt door en slik nog een keer omdat ik niet direct een
antwoord heb. Wie is Julius Caesar? Een staatsman die 2000 jaar geleden
heeft geleefd en het Romeinse Rijk verder uitbreidde door Gallië te
veroveren, het gebied waar Frankrijk ligt.
'Hoezo?' vraag ik terug.
'Omdat iemand me vandaag zo noemde.'
'Julius was een belangrijk man,' zeg ik.
'Een soort koning?'
'Precies!' Ik wend mij tot mijn vrouw. 'Wist je trouwens dat ze dit jaar
zijn hoofd op de bodem van de Rhône hebben gevonden?'
'Zijn hoofd?' vraagt mijn zoon met grote ogen.
'Nou ja, niet zijn hoofd, maar een beeld van zijn hoofd, van steen. Julius
Caesar leefde héél lang geleden, zo'n tweeduizend jaar.' Ik sta op en
loop naar de achterdeur om hout te halen voor de openhaard.
'Ben ik naar hem vernoemd?'
Ik schud mijn hoofd. Nee, dat is hij niet, we vonden het gewoon een mooie
naam. Ik loop de tuin in, het buitenlicht gaat automatisch aan. Als ik
weer binnen ben staat Julius opgewonden gebarend voor het raam. 'Ik zag de
twee koolmezen!'
Er hangen netjes met pinda's op de veranda en er pikken inderdaad twee
vogeltjes in het voer. Afgelopen zomer hadden we een nestje van twee
koolmezen in het vogelhuis dat aan de schuur hangt. Maar of dit dezelfde
zijn, durf ik niet te zeggen.
'Zeg Julius, over namen gesproken, hoe heten de mezen ook alweer?'
'Bonjou en Ooievaar,' zegt hij resoluut.
Ik gooi een blok op het vuur, mijn vrouw vraagt welk boek ze voor moet
lezen voor het slapen gaan.
'Ik ken zelf een leuk verhaal,' zegt Julius. 'Mag ik dat vertellen?'
'Vooruit dan maar. Maar daarna ga je echt naar bed. Je zus slaapt al.'
'Dus ik hoef pas naar bed als mijn verhaal klaar is?'
We knikken.
'Echt?'
We knikken nogmaals, aarzelend dit keer, want zijn helderblauwe ogen
glimmen en dat betekent dat hij iets slims heeft bedacht. 'Goed dan,' zegt
hij, en met een grote glimlach op zijn gezicht begint hij: 'Er waren eens
twee vogeltjes, die bouwden samen een nestje. Toen ze in hun nest zaten,
vroeg de een aan de ander: "Zal ik je een leuk verhaal
vertellen?" En hij begon. "Er waren eens twee vogeltjes, die
bouwden samen een nestje..."'
Francois-André
Danican Philidor november
2008
Een
paar weken geleden stuurde ik een e-mail naar het radioprogramma
Brood&Spelen, dat tussen de middag op Radio 4 wordt uitgezonden. Ik
vroeg of ze wellicht iets van Francois-André Danican Philidor konden
laten horen, omdat ik hem alleen kende van de schaakboeken en niet van
zijn muziek. Een paar dagen later kwam een mailtje waarin stond vermeld
dat ze graag een deel uit een van zijn werken lieten horen op vrijdag aanstaande,
rond 12.45 uur op radio 4.
Francois-André Danican Philidor, geboren in Dreux (Eure-et-Loir, Centre)
leefde van 1726 tot 1795. Hij kwam voort uit een geslacht van musici en
werd zelf ook musicus van beroep. Van de orkestleden leerde hij op jonge
leeftijd schaken, en toen er in Nederland een optreden werd afgelast
vanwege het overlijden van een meisje uit het orkest, besloot Philidor
zijn geld te gaan verdienen met schaken. Hij wist direct iedereen te
verslaan en werd zo een van de beste spelers ter wereld. Er is een
opening naar hem vernoemt die een grote rol aan de pionnen heeft
toegedicht. "De pion is de ziel van het spel", aldus Philidor.
Het is inmiddels vrijdagmiddag, bijna kwart voor één. We zitten aan
tafel, mijn zoon, mijn dochter en ik. Zij eten een broodje pindakaas, ik
een mandarijn. We luisteren naar de presentator van Radio 4.
"De verzoekplaat van vandaag, eigenlijk gewoon een vraag, is van
Martijn Couwenhoven uit Zaandam. Wat is het geval: Francois-André
Danican Philidor is bij Martijn eigenlijk alleen bekend uit de
theorieboeken van het schaakspel. Maar Philidor was ook componist, en
Martijn, die zou wel eens een muziekstuk van hem willen horen. We hebben
iets voor hem uitgezocht om een indruk te geven van deze schaakspelende
componist: een deel uit de Carmen Saeculare..."
De muziek wordt gestart. Rustige orkestmuziek, na een
halve minuut valt een
sopraan in. Ik luister of ik iets van het schaakspel in de muziek van
Philidor terug kan horen. De sopraan is de koningin, de orkestleden de
pionnen, maar dan wordt de muziek al weer afgekondigd. "Ik hoop dat
Martijn Couwenhoven heeft geluisterd", zegt de presentator. Hij
heeft geluisterd, en hij was helaas niet gegrepen door de muziek. Hij
pakt zijn schaakspel en zet de stukken op het bord om te kijken hoe de
opening van Philidor er ook alweer uitzag. Zijn kinderen, met
pindakaasomrande monden, pakken ieder een zwarte en een witte pion en
vragen of ze ook mee mogen doen met ganzenborden.
Franse
herfst oktober 2008
De herfst is, terwijl ik dit schrijf, in
alle hevigheid losgebarsten. Er staat een stormachtige wind, regenbuien trekken
voorbij. Het is half tien in
de ochtend, de lucht is donkergrijs, ik heb de kaarsen op mijn bureau
maar aangestoken en er een polonaise van Chopin
bij opgezet.
Frankrijk lijkt op dagen als deze, als het onstuimige Hollandse weer het
gemoed zijn wil oplegt, altijd ver weg. Maar niets is minder waar, want
het beloofd een mooie Franse herfst te worden:
In het Van
Goghmuseum bijvoorbeeld is de tentoonstelling Vincent van Gogh en het Franse
stilleven te zien. Al vanaf zijn
eerste schilderij uit 1881 koos Van Gogh voor het stilleven om bepaalde
artistieke vaardigheden onder de knie te krijgen. Toen Van Gogh vijf
jaar later naar Parijs verhuisde, begon hij opnieuw met
het schilderen van talloze stillevens.
Mocht u in de buurt van Marseille komen, via een heerlijk Kunstarrangement
bijvoorbeeld, dan kunt u in het Centre
de la Vielle Charité de tentoonstelling van Van Gogh en Monticelli
gaan bekijken. De werken van Monticelli, de Grootmeester van de Provençaalse
school, waren doorslaggevend voor Van Gogh om in de Provence te
verblijven en er op zoek te gaan naar de middagzon die Monticelli
"in vol oranjegeel en saffraangeel" schildert, volgens Van
Gogh zelf.
Ook de Franse cinéma schotelt ons in oktober weer een mooie film voor: Sagan,
een biografisch drama over het bewogen leven van schrijfster Françoise
Sagan (Cajarc, 1935 - Honfleur, 2004), die op haar negentiende Frankrijk schokte met haar roman
Bonjour Tristesse. Aansluitende leestip: Bij uitgeverij
Meulenhoff verschijnt deze maand Een Liefde van Françoise Sagan
van Annick Geille, voormalig hoofdredacteur van de Franse Playboy, die
een liefdesrelatie met de schrijfster had.
En ten slotte: op 9 oktober is op landgoed
Duinlust de opening van een unieke tentoonstelling over
chansonnier en dichter Jacques Brel. Het is dan 30 jaar geleden dat
Belgische volkszanger overleed. Er zijn exclusieve foto’s te
zien, gemaakt door de vermaarde Franse fotograaf en persoonlijke vriend
van Brel, Jean
Pierre Leloir.
Et voilà. Mocht u er binnenkort op uitgaan, in Nederland of in
Frankrijk, dan wens ik u een mooie
Franse herfst toe.
Cello september 2008
Alhoewel
hij aanvankelijk voor de viool had gekozen, is mijn zoon vorige week
begonnen met celloles.
De vioolles zat helaas al vol. Ik bracht hem dit nieuws voorzichtig,
omdat ik dacht dat het een grote teleurstelling zou zijn. ‘Maar er
is nog wel plaats bij celloles…’ opperde ik. Cello! reageerde
hij enthousiast. Dat was toch zo'n grote viool? Dat vond hij eigenlijk
nog veel mooier!
Julius is sinds zijn geboorte al gek op strijkinstrumenten.
Als hij onrustig was of niet kon slapen, hadden de violen van Vivaldi of
de cellosuites van Bach een rustgevende werking op hem. Maar er was één
cd in het bijzonder waarbij hij als baby van een paar maanden de oren
spitste: de filmmuziek van Yann Tiersen voor Le
fabuleux destin d’Amélie Poulain.
Bij het horen van de eerste tonen kroop hij snel naar de radio toe om er
vervolgens heen en weer wiegend bij te gaan zitten luisteren.
(Ik heb de filmmuziek aangezet en moet meteen denken aan een andere
Franse film waarvan de muziek mijn zoon zeker zal aanspreken: Tous les matins du monde, het verhaal van de 17e-eeuwse
componist Sainte Colombo, virtuoos bespeler van de voorloper van de
cello, de viola
da gamba.)
We
zagen Le
fabuleux destin d'Amélie
Poulain overigens in de winter van 2002. We vierden mijn dertigste
verjaardag, mijn vrouw was hoogzwanger. Een maand later werd onze zoon
geboren. Zou het kunnen, vroegen wij ons af bij het zien van onze
wiegende baby, dat hij de muziek al in de baarmoeder in zich had
opgenomen? Waarna ik op internet inderdaad las dat het gehoororgaan al in de 20ste week van de zwangerschap zijn volle
volwassen grootte heeft en dus al werkt.
Ik
vraag me ineens af hoe ik, als Frankrijkliefhebber en kunstschilder, in
de baarmoeder beïnvloed kan zijn. De smaak van wijn, de geur van verf? Ik kan me niet voorstellen dat
mijn moeder alcohol dronk tijdens haar zwangerschap, en mijn vader had toentertijd
zijn kwasten al aan de wilgen gehangen. Het moet dan toch mijn
verwekking in hun 2CV zijn geweest, die gezien de ruimte een enigszins
artistieke houding vereiste…
Surfen augustus 2008
Tijdens
de zomervakantie een oude hobby opgepakt: surfen. En dan niet op internet,
welteverstaan.
De mogelijkheden in het gedeelte van Bretagne waar we een deel van onze
vakantie doorbrachten - het departement Morbihan, waar wij op een camping
aan het strand vertoefden - waren legio: kitesurfen, golfsurfen,
(strand)zeilen en windsurfen. Deze laatste vorm heeft mijn voorkeur, maar
het was alweer zo'n vijftien jaar geleden dat ik voor het laatst op een
plank had gestaan, dus met lichte zenuwen begaf ik mij het water op.
Ik was overigens niet de enige die een (nieuwe) hobby had gevonden.
Terwijl mijn zoon met drie Belgische broers uren achtereen op het strand
stond te vliegeren, mijn vrouw de vele brocantes in de buurt afstruinde,
op zoek naar leuke spullen voor de keuken, en mijn dochter zich vermaakte
met haar Brabantse vriendinnen met hun "make-upclub" (rode
lippenstift, roze nagellak), huurde ik een plank en surfte als een jonge
surfgod door de baai.
Nou ja, totdat ik op een rots strandde dan...
Het werd eb, en ik had nog gevraagd aan de jongen van de Mickey Mouseclub
waar ik de surfplank huurde of het wel een goed moment was om te gaan
surfen. 'Yes (hij wilde graag Engels praten), yes, why not, no prablèm'.
Maar tien minuten later had ik dus wel een 'prablèm', want ik viel, zag
de rotsen niet die door het terugtrekkende water aan de oppervlakte kwamen
en had een diepe snee van vier centimeter in mijn voet. De baai kleurde
rood, als er haaien waren geweest...
Nadat ik aan land was gekropen en de jongens van de strandwacht mijn voet
hadden verbonden, stapte ik een week later weer op de plank. En daar ging
ik weer, met eb deze keer, zodat ik de rotsen kon zien. Het waaide lekker,
windkracht 4, vlagen van 5, ik kraaide het uit, het gevoel van de wind en
het water en de snelheid van de plank. Het gevoel was terug, het is
eigenlijk net als skiën, dat verleer je ook nooit.
Brocante, vliegeren, surfen - volgend jaar weer, dat staat vast. De
"make-upclub" gaat echter ook gewoon thuis door: ik schrijf dit,
moet u weten, met rode lippen en roze teennagels.
Zomervakantiejuli 2008
Het was een klein bericht in
de krant, maar de schok was er niet minder om.
Wat was het geval: het Franse equivalent van Veilig Verkeer Nederland
heeft bekend gemaakt dat Fransen massaal rondrijden zonder rijbewijs! Het
zou gaan om driehonderdduizend Franse automobilisten, die ondanks een
ontzegging uit de rijbevoegdheid, of omdat ze gewoonweg hun rijexamen niet
kunnen betalen, de Franse wegen onveilig maken.
'Wat krijgen we nou?!' riep ik geschrokken uit. Mijn vrouw verslikte zich
bijna in de olijf die ze zojuist in haar mond had gestopt. 'Rijbewijs?' Ik
vertelde het mijn vrouw: 'De Fransen leren volgens de krant weldegelijk
autorijden!'
Natuurlijk, na al die jaren raak je wel gewend aan de Franse manier van
rijden, en van enige baldadigheid in het verkeer mogen we ze toch wel
beschuldigen. Ook u zult toch wel eens hoofdschuddend achter het stuur
hebben gezeten als er weer een auto met hoge snelheid op de D937 of de N10
langs kwam zoeven, om vervolgens vlak na een tractor of een convoi
exceptionnel weer naar rechts te duiken?
Dat een aanzienlijk deel van deze driehonderdduizend automobilisten zonder
rijbewijs bovendien dronken bleek te zijn, zoals het bericht vermeldde,
daar schrok ik niet eens zo van. Dat had ik wel in de gaten als we weer
eens op de snelweg links werden ingehaald, terwijl we toch ook zelf
op de linker rijbaan reden. En dan keek ik vol verbazing naar mijn vrouw
en pleitte ik hartstochtelijk voor het invoeren van rijscholen in
Frankrijk, en voor het rijexamen in het bijzonder. Maar dat blijkt volgens
het bericht dus al te bestaan!
De regering heeft overigens strenge maatregelen aangekondigd: iedereen die
zonder rijbewijs rondrijdt, moet ter plekke zijn auto inleveren. Maar
aangezien deze maatregelen pas voor volgend jaar gelden, wil ik u aanraden
dit jaar nog even goed in de spiegels te kijken. Ik wens iedereen een
veilige zomervakantie toe. Maar vooral ook: geniet van Frankrijk én van
elkaar.
Frankrijk
in huis - Thuis in Frankrijkjuni 2008
Vakantie in Frankrijk vier je in
principe het hele jaar door - daarom is het ook zo leuk om deze site te
maken. Kunst, literatuur, film, muziek, eten en drinken… Naast de weken
die we in Frankrijk zelf doorbrengen, halen we het land gewoon in huis.
Het is natuurlijk in eigen land een beetje overleven totdat de vakantie
weer aanbreekt, maar gelukkig is in ons land Frankrijk op elk gebied volop
vertegenwoordigd. Zo ga ik graag op de fiets naar onze plaatselijke Franse
kaas- en wijnboer Le
Cockelon, waar de geuren van kaas,
wijn, worst en olijven je even op een Frans pleintje doen wanen en de
beelden van mannen die Jeu de Boules spelen zich aan je opdringen. Als ik
bij thuiskomst de buit voor het weekend heb laten zien, gaat de muziek
steeds wat harder en luisteren we naar Piaff, Camille of Olivia Ruiz.
Mochten we na een glas Pastis nog zin hebben in een film, dan kijken we
naar Camille Claudel, Le Fabuleux
Destin d'Amélie Poulain
of Jean de Florette. En om
Frankrijk helemaal in huis te halen, heb je natuurlijk nog de vele
tijdschriften en boeken die er jaarlijks verschijnen. Om uw Franse
vakantie in Nederland wat te vergemakkelijken, introduceert
opvakantie-frankrijk.nl in samenwerking met de Nederlandse uitgevers het Boek
van de Maand. Elke maand wordt er
een interessante titel uit het grote literatuuraanbod voor u uitgelicht,
waarbij u ook nog eens kans maakt op een gratis exemplaar. Ik hoor
inmiddels de eerste tonen van Le
petit monsieur triste en de kurk die uit de fles schiet (al kan dat
tegenwoordig ook een draaidop zijn), dus ik zou zeggen: Santé, op de
Franse vakantie in eigen huis.
|