home
| aanmelden | gîtes | chambres d'hôtes | creatief | kamperen | groepsaccommodaties | contact | links
 

 
 

Cinéma - Franse films nu in de bioscoop
 
Wilt u de nieuwsbrief ontvangen? Klik hier om u aan te melden.
 
Informatie regio's en departementen

Alsace

Aquitaine

Auvergne

Bourgogne

Bretagne

Centre

Champagne-Ardennes

Corsica

Franche-Comté

Île-de-France

Languedoc-Roussillon

Limousin

Lorraine

Midi-Pyrénées

Nord-Pas-de-Calais

Basse-Normandie

Haute-Normandie

Pays de la Loire

Picardie / Thiérache

Poitou-Charentes

Provence/Alpes/
Côte d'Azur


Rhône-Alpes

 
Informatie Frankrijk
De departementen

De Eiffeltoren

Geschiedenis
 
Colofon
contact

aanmelden

links

copyright©2007-2012

 

Frankrijk columns

 

Een parfum dat ruikt naar dood en verderf - interview met Philippe Claudel  juli 2010

Hotel Ambassade in Amsterdam. Philippe Claudel (1962) zit op een bankje dat uitzicht biedt op de zonovergoten Herengracht en neemt een slokje van zijn muntthee. In het voorjaar kwamen er twee boeken van Claudel uit: in maart verscheen ‘Tot ziens, meneer Friant’ uit 2001 en eind april ‘Alles waar ik spijt van heb’ uit 1999. Twee eerdere werken dus, want sinds het in 2007 verschenen ‘Het verslag van Brodeck’ heeft hij niet meer aan een roman gewerkt. In ‘Tot ziens, meneer Friant’ zinspeelt hij daar al op: ‘Ik denk trouwens dat ik op een dag zal ophouden met schrijven, want de misverstanden worden met de dag groter.’ ,,Die uitspraak van bijna tien jaar geleden is nu heden geworden. Succes kan gevaarlijk zijn. Als jij een slechte roman schrijft wordt hij niet uitgegeven. Als ik er een schrijf wel. Daar waak ik voor.” Vervelen deed hij zich de afgelopen tijd alleszins niet. In 2008 verscheen zijn succesvolle debuutfilm ‘Il y a longtemps que je t’aime’, waarvoor hij een César en een BAFTA ontving, en inmiddels ligt het scenario klaar voor zijn tweede film, ‘Silence d’amour’, dat deze zomer wordt opgenomen. ,,Het wordt een lichter verhaal deze keer, een komedie geïnspireerd op de Italiaanse films uit de jaren zestig. Het verhaal gaat over een Italiaanse muziekleraar die met zijn broer en zijn 15-jarige dochter in Strasbourg woont. Na de dood van zijn vrouw heeft hij  moeite het vertrouwen in de liefde terug te vinden. Zijn dochter probeert hem daarbij te helpen. Een vrolijke film, maar met een schaduwkant, dat wel.”  

Schilderkunst  
Die schaduwkant zet de toon in het oeuvre van Claudel. ‘Tot ziens, meneer Friant’ is daarin wellicht het lichtst van toon. De verteller schetst aan de hand van jeugdherinneringen en de schilderijen van de Franse kunstenaar Émile Friant (1863-1932) een portret van zijn grootmoeder. De novelle is, in tegenstelling tot wat de achterflaptekst doet vermoeden, niet autobiografisch. “De enige link naar de werkelijkheid is het werk van Émile Friant. En wellicht een paar details die alleen mijn vrouw zal herkennen.” Claudel laat zich graag inspireren door de schilderkunst. Zo ziet hij de roman ‘Zonder mij’ (2005) als een combinatie van de Action paintings van Jackson Pollock en de vervormde, verwrongen lichamen van Francis Bacon, en komt zijn bekendste boek ‘Grijze zielen’ (2004) overeen met het werk van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich. “Een van de vrouwelijke personages uit het boek gaat dagelijks naar de top van een heuvel omdat ze verliefd is op een soldaat die ten strijde is getrokken. Op de top kan ze naar het oorlogsrumoer op het slagveld in de verte luisteren. Dat is typisch een beeld van Friedrich, die ook altijd mensen bovenop een top van een berg schilderde. Die vergelijkingen worden overigens vaak pas achteraf zichtbaar. Dat was in ‘Alles waar ik spijt van heb’ bijvoorbeeld zo met de scène waarin de kist met de moeder per boot naar het kerkhof wordt gebracht. Toen ik het teruglas zag ik het schilderij Het eiland der Doden uit 1880 van Arnold Bucklin voor me.”  
De droom van Claudel was om zelf kunstschilder te worden, maar hij vond zichzelf niet goed genoeg. “Maar ik hou enorm van schilderkunst, van de Vlaamse Primitieven bijvoorbeeld. Ik zou nu wel weer willen gaan schilderen, maar ik heb er nog geen tijd voor. Ik mis de geur van verf, van het linnen, het werken met kwasten en spatel. Gewoon, werken met echte materialen. Ik heb wel geprobeerd te schrijven met een mooie vulpen op mooi papier, maar dat gaat me te langzaam. Op mijn hotelkamer schreef ik voor dit interview een tekst, die ik met de hand in zo’n korte tijd nooit op papier had gekregen. Mijn hand kan mijn gedachten niet bijhouden. Ik heb 25 jaar met een pen slechte teksten geschreven. Pas toen ik een laptop had, ik was toen 33, 34, lukte het me om mijn gedachten tot een goed verhaal te verwerken. Alsof ik een instrument bespeelde, een piano.”  

Alles waar ik spijt van heb
Een van die eerste verhalen is de roman ‘Alles waar ik spijt van heb’, dat net als ‘Tot ziens, meneer Friant’ wordt verteld aan de hand van jeugdherinneringen. Om zijn moeder te begraven keert de verteller na zestien jaar terug naar de plaats van zijn jeugd, een stadje in het noorden van Frankrijk dat door de aanhoudende regen en de buiten haar oevers getreden rivier is ondergelopen. Tijdens het verblijf van de verteller in Hôtel de l’Industrie worden langzaam maar zeker de familiegeheimen ontrafeld.
,,Het is een boek over verzoening. De verteller is op zestienjarige leeftijd weggegaan omdat hij zich door zijn moeder bedrogen voelde, omdat zij de ware identiteit van zijn vader, die hij nooit heeft gekend, verborgen hield. Maar tijdens zijn terugkeer in het dorp kantelt dat beeld. Zo gaat het ook vaak in de werkelijkheid. Mensen hebben hun mening vaak al snel gevormd. Te snel. Ik heb geleerd dat niets precies is zoals het op het eerste gezicht lijkt.”  
De sfeer en ondertoon in het verhaal zijn, zoals in al Claudels boeken, mistig en grauw.
Bij de aanblik van het behang in zijn kamer van
Hôtel de l’Industrie, mijmert de verteller: ‘Alles ligt in dat behang besloten: schoonheid komt pas met slijtage en verval, wanneer je er niet op bedacht bent; dat geldt voor de schoonheid van dingen en die van mensen.’  
Claudel schildert scènes met een kwast gedoopt in een parfum dat ruikt naar dood en verderf, met beschrijvingen die doen denken aan de portretten van de Franse romantische schilder Théodore Gericault. Over Jos Sanglard, eigenaar van Hôtel de l‘Industrie: ‘Zijn haar was grijs, zijn armspieren leken op een slappe kalfslong, onder zijn gestreepte trui had hij een ingevallen buik, en zijn blik… hij had een blik die nooit liegt, Jos’ blik sprak over pijn en over breuken, over alle laffe daden van het leven, over wrok en verveling; het was een blik die het einde al zag naderen.’ Claudel laat zijn personages lopen op hun tandvlees, levend tussen hoop en vrees bewandelen zijn hun lijdensweg naar het einde. Zoals ook de wijndrinkende priester, die zich in de kerk bijna huilend laat ontvallen dat hij nu eens eerlijk zou willen zijn, al was het maar voor één keer…

,,De scheidslijn tussen goed en kwaad is erg dun. In veel van mijn verhalen komt een priester voor die het ook niet meer weet. En ik denk dat ze het momenteel ook echt niet meer weten, na alle negatieve berichten van de afgelopen tijd. Waar is god nu? Is hij met pensioen? Heeft hij nooit bestaan? Ik leef altijd in twijfel, de ene helft van mij wil graag geloven, maar de andere helft… het is onmogelijk. Het is grappig dat we het hier over hebben, want de scène die ik voor dit interview op mijn hotelkamer schreef ging ook over een priester in een kerk. Wellicht wordt het een hoofdstuk in mijn nieuwe roman. Waar het heengaat weet ik nog niet. Wel dat het een donker verhaal wordt, echt heel donker, naar het zich laat aanzien.” Claudel schudt zijn hoofd, alsof hij het zelf ook nog niet helemaal kan geloven. Maar hij schrijft weer. En dat is heel goed nieuws.

De boeken van Philippe Claudel kunt u bestellen op www.franseliteratuur.nl/Romans

       


Dit is niet voor ons bedoeld, Charles
   mei 2010

Ik bevond mij op de snelweg van Antwerpen naar Brussel. In een auto. Ik had net de Craeybeckxtunnel verlaten, en juist terwijl ik een cd aan het verwisselen was passeerde ik een bord met de tekst "Een slippertje kan dodelijk zijn". Er volgden meer van deze borden. Ik vond het een vervelende tekst. Als automobilist. Niet in eerste instantie, dat gebeurde gaandeweg.

Het was een goede waarschuwing, de tekst op het bord. Een slippertje kan inderdaad dodelijk zijn. Ik voelde me enigszins betrapt, omdat ik net een cd aan het verwisselen was waardoor mijn aandacht voor het verkeer rondom mij weldegelijk even weg was. Het bord zei me alert te blijven. Het herinnerde me aan de keer dat ik tijdens het verwisselen van een cassettebandje bijna de ringvaart inreed. Ik was achttien, had nog niet lang mijn rijbewijs en reed in de Visa van mijn moeder over de dijk achter ons huis. Waarheen ik op weg was kan ik mij niet herinneren, waarschijnlijk had ik geen bestemming, het waren ritjes om het rijden, een ommetje door de polder, met de muziek hard aan en hopen dat je een bekende tegenkwam. Of tanken voor mijn moeder, want daar had ze een hekel aan.

'Tijn, ik heb een klusje voor je, als je zin hebt.'
'Is de benzine op?'
'Precies.'
'Ik gooi hem vol. Even muziek pakken.'

Cassettebandjes, veelal met diverse nummers, die mijn broer en ik voor elkaar opnamen. Elk nummer was een verrassing, oud en nieuw door elkaar, van Neil Young tot The Smiths, van REM tot The Velvet Underground, wat het luisteren altijd zeer aangenaam maakte. En het bandje dat ik wilde draaien was van het dashboard voor de bijrijdersstoel op de grond gevallen. Sturen met links, snel naar rechts voorover buigen en het bandje pakken. Toen ik omhoog kwam waren de rechterbanden in de grasberm terechtgekomen, die kort maar stijl afliep naar de ringvaart. Met een ruk aan het stuur naar links kwam ik slippend weer op de weg terecht, waarna ik met piepende banden een ruk naar rechts en weer naar links maakte om de Visa recht op de weg te houden. In nog geen tien seconden werd ik mij bewust dat een slippertje wel eens dodelijk zou kunnen zijn.

Goed, alert blijven dus, de tekst klopte, het bord had gelijk. De nieuwe cd zat erin, en alhoewel ik uit volle borst meezong met Charles Aznavour was mijn aandacht op de weg gericht. Zingen en rijden, dat moest kunnen.

Na een aantal kilometer passeerde ik zingend eenzelfde bord. Ik had de eerste kunnen missen natuurlijk, in beslag genomen als ik was door het verwisselen van de cd. De onoplettende automobilist nogmaals de tekst onder de aandacht te brengen vond ik gen gekke gedachte.

Even later volgde een derde bord. Nu ik echter voldoende was gewaarschuwd, wist ik dat deze niet voor mij bedoeld kon zijn. Dat zei ik ook, tussen het zingen door, dit is niet voor ons bedoeld, Charles, dit bord, we zingen rustig door. Tu es la branche, tu es le fruit, Tu es le jour, tu es la nuit, Tu es le soleil et la pluie, Ma mie. Er moest een oprit zijn geweest die ik, ondanks mijn oplettendheid, niet had opgemerkt, en voor de automobilisten die daar de snelweg op waren gekomen hadden ze nog een bord geplaatst. Het kon natuurlijk niet zo zijn dat de een wel en de ander niet werd gewaarschuwd voor de gevaren van een slippertje.

De vierde keer dat ik het bord passeerde, schudde ik afkeurend mijn hoofd. Nu werd het ronduit vervelend. Ontspannen rijden was bijkans onmogelijk geworden door de herhaling van de borden. De tekst kreeg een andere betekenis. Of beter gezegd, een andere lading, het had niets meer met autoijden te maken. Moest men mij eraan blijven herinneren dat het leven gevaren met zich meebracht? En dat ik alleen op reis was gaf de tekst nog eens een dubbele lading. Ineens was mijn goede humeur waarmee ik 's ochtends uit Nederland was vertrokken verdwenen. En toen mijn medeweggebruikers zich ook tegen mij keerden, besloot ik de snelweg te verlaten. Na het derde bord had ik namelijk tijdelijk het zingen gestaakt om geen oprit te missen en me ervan te vergewissen dat de borden inderdaad ná opritten geplaatst waren om nieuwe weggebruikers te waarschuwen. Daarbij moet ik onbewust langzamer zijn gaan rijden. Want toen ik door een vrachtwagen ingehaald werd en de chauffeur me hoofdschuddend aankeek, dacht ik eerst dat ook hij vier borden wat overdreven en belerend vond, maar toen hij zijn middelvinger opstak wist ik dat het aan mij en mijn snelheid moest liggen.

In de verte tekende zich een afrit af. Of was het een oprit?


Franse muziek
 april 2010

Sinds we een platenspeler in de keuken hebben staan, heb ik de afgelopen weken een twintigtal elpees gekocht. Klassiek - Frédéric Chopin, Erik Satie -, maar vooral muziek uit de jaren zestig. Jacques Brel, France Gall, Juliette Greco, Gilbert Becaud, Francoise Hardy, Charles Aznavour. Vandaag komen er weer twee elpees bij.
Ik ben mij aan het onderdompelen in de Franse muziek. Vele namen van zangers en zangeressen ken ik, maar hun muziek is mij, op enkele nummers na, onbekend. De nieuwe platenspeler brengt daar verandering in, en ik merk nu dat ik het heb gemist, het draaien van een plaat, het luisteren naar de naald, naar de muziek die onder de naald voorbij draait. Ook het struinen heb ik gemist, het vinden van nieuwe muziek in kringloopwinkels en platenkelders. Zo kom ik namen tegen als Marie-Claire Pichaud en George Brassens, en voor een euro neem ik ze mee om ze te leren kennen. Maar ook internet is een prima plek om te struinen. Iets gevonden met Google en daarna luisteren op YouTube. Wijntje, stukje kaas, en op de achtergrond Charles die het leven bezingt. Twee dagen later wordt een vierkant kartonnen pakket met drie of vier tweedehands elpees bezorgd, goed dichtgeplakt met bruin tape, dat je ongeduldig maar behoedzaam openmaakt om het glimmende zwarte vinyl uit de hoes te halen en op de platenspeler te leggen.
Vandaag komt er met de post een zeer actueel pakket, met platen van Serge Gainsbourg & Brigit Bardot en Jean Ferrat. Actueel omdat onlangs de film Gainsbourg - Vie Héroïque van Joann Sfar in première is gegaan, over de jonge Lucien Ginsburg die in 1941 door de straten van het bezette Parijs paradeert met op zijn revers een gele ster die hij behendig heeft omgevormd tot een sheriffster. Als hij jaren later afstudeert aan de kunsthogeschool en als kunstenaar aan de kost probeert te komen met optredens in plaatselijke bars en cabarets, ontstaat de ster van het cabaret van de Swinging Sixties: Serge Gainsbourg. De ietwat onconventionele Gainsbourg brengt zijn tijd door met mooie vrouwen als Jane Birkin, Juliette Greco en Brigitte Bardot, met wie hij in 1967 Bonnie & Clyde maakt.
De tweede plaat in het pakket, de single La Montagne, is van Jean Ferrat, die afgelopen zaterdag 16 maart op 79-jarige leeftijd overleed. Naast La Montagne, in Nederland beter bekend in de versie Het dorp door Wim Sonneveld, staan er ook de nummers Autant D'Amour, Autant De Fleurs, Hourrah! en Que Serais-Je Sans Toi op. Mijn kennismaking met Ferrat, in 1930 geboren als Jean Tenenbaum in Vaucresson bij Parijs, werd bekend in 1963 met het indringende Nuit et Brouillard, waarin hij op het bonkende ritme van een bolero de deportatie van duizenden Fransen naar de concentratiekampen beschreef, het lot dat ook zijn eigen familie had ondergaan.
En zo is het onderdompelen in de Franse muziek begonnen. Als ik een glas wijn inschenk en aan de keukentafel achter mijn laptop wil plaatsnemen, wordt er op de deur geklopt. 'Het past niet door de brievenbus,' zegt de postbode als ik de voordeur open. Ik weet niet of het een klacht is of gewoon een constatering. 'Nee, ik ook niet,' zeg ik daarom maar. De postbode overhandigt me het pakket, hij kijkt daar belerend bij. 'De brievenbus is te klein,' zegt hij. Dat heb ik vaker gehoord, meer postbodes klagen daar over. Het is of het weer, of een te kleine brievenbus waar de postbode tijdens zijn ronde over inzit. 'Of de elpees zijn te groot,' zeg ik met een glimlach, wijzend op mijn pakket. De postbode fronst zijn voorhoofd en monstert de lucht. Gelukkig is het droog vandaag.

Henri Matisse en Ignaz Pleyel  maart door Martijn Couwenhoven


De smaak van een gek
   februari 2010
door Ilja Gort

Bakkerij Poilâne bakt het beste brood dat je kunt kopen in Parijs. In de supermarkt zul je het niet aantreffen, maar de doorzetter vindt het in een onopvallend winkeltje in een smal straatje achter de drukke rue de Sêvres. Daar opende de dwarse bakker Pierre Poilâne in 1932 zijn bakkerijtje en hij deed er iets onverwachts: heel Parijs at stokbrood, dus besloot Pierre om ronde platte broden te gaan bakken.
In plaats van de witte baguette waar elke Fransman mee onder zijn arm loopt, specialiseerde Poilâne zich inbruin zuurdesembrood met een vezelrijke consistentie. 'Nou ja,' lachten de buren schouderophalend. 'Een gek. Die maakt het niet lang hier...'
Het werd een doorslaand succes. Na dertig jaar nam zijn zoon Lionel het bakkerijtje over. Hij bouwde het uit,vergrootte de productie en begon het unieke Poilânebrood te exporteren naar Engeland en Azië. In 2002 zette Lionels dochter Appolonia het succes voort. Nu, op haar 24e jaar, dirigeert deze jonge vrouw 137 werknemers, 3 winkels (2 in Paris en 1 in London), een fabriek met 24 ovens in Parijs en een vloot van 23 vrachtwagens om distributeurs door heel Frankrijk elke dag te voorzien van vers gebakken Pain Poilâne.
Sla bij de onverwoestbaar mooie 'Centaur' van César de hoek om en vijftig meter verder sta je voor debescheiden etalage van de beroemdste bakker ter wereld.
We treffen Appolonia Poilne in het winkeltje. Een vrolijke meisjesvrouw met glanzend donkere ogen. Als we naar het recept van haar brood vragen schudt zij haar donkere lokken. Nee, de bereidingswijze is een goed bewaakt familiegeheim. Ze legt uit dat hun graan van duurzame boerderijen komt, dat het meel gemalen wordt met molenstenen en het brood wordt gezouten met zeezout uit Guérande en gebakken in houtovens, maar meer laat zij niet los.
In die houtovens worden elke dag 15.000 broden gebakken, waarvan er 5000 zijn bestemd voor de USA. Naast een hele rits toprestaurants en delicatessenwinkels worden daarmee vaste klanten bediend als Robert de Niro, Steven Spielberg en Kevin Spacey.
Drie keer per dag staan de Poilâneliefhebbers in de rij voor een stuk brood. Ik begrijp dat wel, want het eten van zo'n knapperige geroosterde snee Poilânebrood met gerookte zalm of verse Chèvre is heerlijk, maar vergt wat meer kauwgymnastiek dan gewoon stokbrood. Dat wordt veroorzaakt door de vezelrijke consistentie, maar ook door iets anders: tussen de desemvezels door, proef je het karakter van een kleine dwarse bakker, die iets deed wat gespeend was van iedere vorm van logica. Uitgelachen en voor gek verklaard, maar doorgezet en een held geworden. Dat geeft die lekkere, knapperige bite waar je zo blij van wordt.
Aan de basis van Poilânes succes stond, naast uiteraard Pierre Poilâne zelf, een kleine wijnbar aan de overkant van de straat: In 1954 Poilâne’s first client was Au Sauvignon, a neighboring wine bar that served the bread with cheese and charcuterie. A small poster indicated that they sold Poilâne loaves: “Ici Pain Poilâne, sourdough bread, stoneground flour, wood-fired brick ovens.” Finally, restaurants joined the trend. - Archief Figaro

Boulangerie Poilâne
8, rue Cherche Midi, 75006 Paris. Téléphone +33 145 48 42 59. Métro: Saint Sulpice


De Smaak van een gek
verscheen in de Slurp!-nieuwsbrief van wijnboer Ilja Gort
, bekend van de La Tulipe-wijnen en schrijver van Leven als Gort in Frankrijk, Overleven als Gort in Frankrijk, Het Wijnsurvivalboek en de wijnroman Het Merlot Mysterie.
www.tulipe.nl







Sneeuw!
  januari 2010
door Martijn Couwenhoven
Ik stap uit bed en schuif het gordijn opzij. Sneeuw! De donkere ochtend is een stuk lichter. Een centimeter sneeuw bedekt de straat, de auto's, de daken. Ook mijn gemoed wordt meteen een stuk lichter. Het werkt rustgevend, sneeuw, bij mij althans. Komt door de herinneringen die het oproept. Fijne herinneringen.

Sneeuw is onlosmakelijk verbonden met mijn jeugd, met mijn eerste herinneringen als kind. Ik ben geboren in een sneeuwmaand, in februari. Tenminste, februari was een sneeuwmaand, vroeger, een ijsmaand ook, want in februari werden de meeste van de vijftien Elfstedentochten gereden. Er waren winters dat er zoveel sneeuw viel, dat er niemand op mijn verjaardag kon komen. Ik geloof niet dat ik dat erg vond, mijn broer en ik vermaakten ons wel buiten. We speelden in de sneeuw totdat we bevroren waren. Mijn moeder sleepte ons naar binnen, naar de badkamer, ze stopte ons in een warm bad om te ontdooien. Eenmaal in een droge pyjama gezeten bij de openhaard met een warme kop chocolademelk, voelde je je als herboren.

Als er in Nederland geen sneeuw lag, dan vonden we dat in het buitenland. Skiën in Zwitserland of Frankrijk. Of, de keren dat we in Morzine en Avoriaz verbleven, in beide landen op één dag. In Avoriaz ging ik steevast met mijn broer de Pas de Chavenette af, ook wel bekend onder de naam “Le Mur”. Het is, samen met “Le Tunnel” in Alpe D’Huez, een van de meest steile pistes die ik ken. Eenmaal beneden ben je in Zwisterland, waar we een rondje maakte via de Zwitserse skidorpen
Champoussin en Les Crosets om vervolgens via Chatel en Morzine weer terug in Frankrijk.

Ook in de zomer stonden we geregeld op de ski's. Ik herinner me een zomer in Noorwegen. Skiën in korte broek. Terwijl mijn vader, mijn broer en ik een paar afdalingen maakten, lag mijn moeder onder aan de piste in bikini in een ligstoel op ons te wachten.

Het is vandaag geen bikiniweer. Ik voel de vrieskou door het slaapkamerraam heen. Ik ga me aankleden, de kinderen wakker maken en ze vertellen dat het heeft gesneeuwd. Wanten aan, muts op, en naar buiten. We gaan een sneeuwpop maken.



Sportschool op z’n provençaals 
december 2009
door Caspar Visser 't Hooft

Om de zoveel tijd vindt mijn rug het leuk om krak te zeggen. Arme rug, hij heeft nog steeds niet door dat hij dat kortstondige pretje met dagenlange zeurpijn heeft te betalen. En ik die dan krom loop - krom voorover gebogen én krom naar rechts. Afijn, een vertoning! Hoeveel drempels van hoeveel fysio – ostheo – kinesitherapeuten heb ik intussen niet plat gelopen? Het hielp altijd maar even, nooit langer. Wat ik wilde, dat was gemasseerd worden. Lekker op een bank liggen en niks zelf hoeven doen. Nee, steevast begonnen ze te zeuren over vervelende oefeningen. Ja, en hoe vaak hebben ze me niet aangeraden me bij een sportschool in te schrijven om daar mijn spieren te ontwikkelen, vooral die van de buik, de benen en de rug, omdat alleen goed ontwikkelde spieren de ruggengraat in het gareel houden? Ik heb er nooit gevolg aan gegeven. Ten eerste niet omdat ik daar te lui voor was, ten tweede niet omdat me die sportscholen altijd een beetje louche leken. Iets voor onderwereldtypes, voor uitsmijters bij de ingangen van goktenten en bordelen. Ik zag ze daar al hangen met hun confectietorso’s, in van die martelwerktuigen en spiermachines, en daarbij drugs dealen…  

In m’n stoute schoenen

Ik ben deze zomer van stek veranderd. Zoveelste mijlpaal in je leven, mooie gelegenheid om zekere goede voornemens in daden om te zetten. Ik stap in m’n stoute schoenen, ik begeef me naar een club de forme, die zich bij mij haast om de hoek bevindt, ik schrijf me in, en ik denk: kome wat komen mag. Nee, laat ik eerlijk zijn. Zo heldhaftig was het ook alweer niet. Ik was al een paar keer langs dat sportetablissement gereden, en telkens had ik er brave oudere mensen uit zien komen. Goed, ook een paar ijzervreters – maar die ijzervreters en die brave oudere mensen schenen nogal gemoedelijk met elkaar om te gaan. Kortom, ik had al zo’n vermoeden dat het met die half criminele patjepejers wel meeviel.

Een plek om recepten uit te wisselen

Eerst je spieren opwarmen. Ik zit op zo’n fietsding dat op de plek stil blijft staan, hoe hard je ook trapt. Ik kijk om me heen, ik leg mijn oor te luister. Voor mij zitten twee dames van rond de zestig op roeimachines. Ze dragen strakke kleefpakken, die elke rimpel en ronding laten zien. En van die rimpels en rondingen zijn er nogal wat. Ik zie dat ze de apparaten op de laagste stand hebben gezet, dat wil zeggen op het minst zwaar. Erg veel verbetenheid leggen ze niet aan de dag. Dat kan ook niet, want ze zitten, al roeiende, met elkaar te kletsen. En ook met een madam met blond geverfd kort haar die in een buikspierstellage zit, en die daar alleen maar in zit te zitten. Waar ze het over hebben? Over eten. Over recepten…

Een beetje pastis er doorheen…

Ik hoor namen vallen van gerechten die mij intussen al vagelijk bekend in de oren klinken. Gerechten uit de streek, dat wil zeggen de Provence. De dames hebben het over estouffades, bourides, fougasses, daubes. De een zegt dat ze hier zoveel teentjes knoflook bijdoet, de ander dat ze er altijd épeautres bij serveert, net als destijds haar grootmoeder. Als de derde zegt dat ze door haar bouride (vraag me niet wat het is – iets met vis, meen ik te begrijpen) altijd een flinke scheut pastis gooit, gaan een paar kerels verderop, die wél nogal grondig aan hun spierballen werken, hard lachen. Ze hebben blijkbaar de conversatie van de dames gevolgd. Iets wat, naar ik vermoed, de dames heel goed wisten. “Want we hebben er voor het eten zeker niet genoeg van genomen!” - “Voor de dames, dan hebben die ook wat” - “Alsof die tijdens het koken, in de keuken, niet een glaasje achterover hebben gedrukt” – “Allez  va, les gars, mogen nog wat grammetjes spieren erbij”. Van hun kant wijzen de bodybuilders de dames er niet op dat als ze zo door gaan met kletsen, en maar zo’n beetje voor de vorm aan de laagste stand gewichten zitten te trekken, er maar weinig grammetjes af-gaan. Nee, ze vinden het doodgewoon, en zoals het hoort, dat daar die dames, die hun moeders zouden kunnen zijn, over lekker eten praten. Dat moet je overal kunnen doen, ook in een sportschool.

Ik ben het met ze eens. En ik weet het: mijn rug gaat betere tijden tegemoet.

 -

Caspar Visser ‘t Hooft is de auteur van Sprekend portret en De ring van de keizerin, in 2005 en 2007 verschenen bij uitgeverij IJzer. Een derde boek - de novellenbundel "Ontwaken" - is in het najaar 2009 door dezelfde uitgever in het licht gebracht. Caspar Visser 't Hooft woont in Orange. Hij wisselt graag van gedachten over God en Frankrijk, over literatuur en cuisine Française. Bezoek zijn website www.schrijverinfrankrijk.nl voor meer verhalen.


Longwy
  november 2009
door Martijn Couwenhoven
 
Het is zeven uur in de ochtend en ik gooi mijn koffer in de achterbak. Vandaag rij ik naar Frankrijk voor een vierdaagse persreis door de regio Lorraine. Voordat ik vertrek krijg ik dikke zoenen voor onderweg, en ook een roze my little pony met blauw haar van mijn dochter, dan ben ik tenminste niet alleen in de auto en in mijn hotel.

Om kwart over twaalf rij ik mijn eerste bestemming binnen: Longwy. Ik kom uit op een groot plein, het place Darche, waar de kerk en het Hotel de Ville aan liggen. Het plein wordt omringd door bomen en parkeerplaatsen. Mijn hotel vind ik in een zijstraat van het place Darche, de rue Gambetta. Ik krijg de sleutel van kamer 10, gelegen op de eerste verdieping. Een ruime kamer met roze behang, een tweepersoonsbed, een éépersoons en een televisie. De badkamer heeft twee wastafels en een bad. Op een klein bureau tussen de twee ramen die uitkijken op de rue Gambetta installeer ik mijn laptop, en jawel, er is zowaar draadloos internet in het hotel mogelijk. Ik heb nog twee uur voor mijn eerste afspraak: La fabrique des Emaux de Longwy.

Longwy blijkt uit twee delen te bestaan: Longwy Haut en Longwy Bas. Ik verblijf in Longwy Haut.  Vanaf Haut heb je een prachtig uitzicht over Bas en het Viaduc de la Chiers , dat de N52 over het dal draagt. Via de rue de Metz slingert de weg naar beneden, naar het dal waar het station en de aardewerkfabrieken van Longwy Bas zich bevinden.

Aan het eind van de dag, als ik van Longwy Bas terug loop naar Haut, kom ik langs Le Monument aux morts, het monument ter ere van de verdedigers van de stad in de Eerste Wereldoorlog. Ik bekijk de verwelkte bloemen die aan weerszijden van het pad naar het monument staan. Als je alleen op reis bent voel je je soms ook wat als een verwelkte bloem, tenminste, dat gevoel overvalt me zo nu en dan. Ook al na één dag. Weg willen zijn en thuis zijn tegelijk, dat is bijna onverenigbaar. Je moet een keuze maken, want ertussenin verwelk je.

Maar de bloemen zijn mooi, daarom blijf ik staan om ze te bekijken en te fotografen. Ze zijn misschien niet op hun best zo, maar ze stralen iets wezenlijks uit, iets dat me geloofwaardiger overkomt dan een bloem in bloei. Les fleurs fanées. In het Frans klinkt alles mooi, ook de verwelkte bloemen. En nu ik zo naar de bloemen sta te kijken, bedenk ik me dat Longwy ook een beetje is als een fleur fanée. Daar is niks mis mee, je moet alleen iets meer je best doen om de schoonheid ervan in te zien.



In Parijs
  oktober 2009
door Olivier van Beemen
Eén trein is groen. iedere ochtend passeert de ene na de andere gele sneltrein mij op mijn fietstocht van huis in Vogelenzang naar school in Haarlem. Ik sla er geen acht op. De groengrijze nachttrein uit Parijs is anders. Die zet aan tot dromen tijdens een saaie rit van bijna tien kilometer langs de Leidsevaart, de oude trekvaart tussen Haarlem en Leiden. Meestal fiets ik alleen, omdat ik de enige Vogelenzangse gymnasiast ben. De wind komt bijna altijd uit het zuidwesten. Op de heenweg heb ik hem in de rug.

De nachttrein uit Parijs brengt structuur. Komen de wagons van de Société Nationale des Chemins de fer Français langs als ik nog langs het bollenveld voor het ouderlijk huis fiets, dan weet ik dat ik vaart moet maken. Ben ik al bijna bij station Heemstede-Aerdenhout, dan kan ik het verder rustig aan doen. tenzij de nachttrein vertraging heeft: soms is er helemaal geen nachttrein, terwijl ik keurig op tijd de Jacobijnestraat in Haarlem binnenrijd, waar de school is gevestigd.
De nachttrein uit Parijs biedt ook afleiding. Amsterdam, dertig kilometer verderop, is een grote, verre stad en de gedachte dat er rails liggen tot aan Parijs, fascineert me. De passagiers, verscholen achter hun gordijntjes, zijn een avond eerder op het Gare du Nord opgestapt en rijden nu langs de Leidsevaart, net als ik.

Ik ben nog nooit in Parijs geweest.

Dat verandert in de zomer van mijn achttiende verjaardag. Met een groepje vrienden ga ik naar de Franse hoofdstad, met de nachttrein. Die gaat dan nog via Haarlem, terwijl de meeste internationale treinen langs Schiphol rijden. Voor ons is Parijs een tussenstop van enkele dagen, waarna we doorreizen naar Noord-Italië.

Iets na half elf stappen we op in station Haarlem. ‘Paris Nord’ vermeldt het vertrekbord. De Franse conducteur, een dikke man met strenge pet die meer ontzag inboezemt dan zijn Nederlandse collega’s, komt direct de coupé binnen en neemt onze railpas én paspoort in. Daar hebben we niet op gerekend. Is deze man wel te vertrouwen, zullen we onze documenten ooit terugzien? Veel keus hebben we niet. Beter zoeken we onze toevlucht tot de meegenomen biertjes. Ik heb per ongeluk maltbier gekocht. Vogelenzang en de Leidsevaart liggen achter ons voordat ik goed en wel naar buiten kan kijken.

Ook van maltbier moet je vroeg of laat naar de wc. Ik volg de pijltjes richting het uiteinde van de wagon. Geen wc. Wel is er een groot uitgevallen ruimte met een wastafel. Het kwartje valt wanneer ik een klein gaatje in de vloer zie. Meteen denk ik aan de Franse campings waar ik zoveel zomers met mijn ouders heb doorgebracht: dit is een Franse wc, een hurktoilet. Trots op zoveel culturele kennis, richt ik op het gaatje. De vloeistof blijft echter liggen en met de schommelingen van de trein moet ik oppassen dat mijn schoenen droog blijven. Ik kan weinig anders dan het bevuilde hok verlaten en zie om het hoekje een andere ruimte, met een pot, een bril en een pedaal om door te spoelen. Ik schaam me. Ik ken Frankrijk minder goed dan ik denk.


*
Uit het in oktober 2009 verschenen: In Parijs.Bekijk ook www.parijsblog.nl van Olivier van Beemen en bestel een gesigneerd exemplaar!


Afwassen
  september 2009
door Martijn Couwenhoven

Sinds de zomervakantie hebben wij geen vaatwasser meer. Hij is er nog wel, maar ik negeer hem. Voor mij bestaat hij niet meer.

Het is al vaker voorgevallen dat we na een kampeervakantie terug wilden naar de eenvoud en zaken als de televisie en de vaatwasser afzworen, maar meestal werden ze na een paar dagen toch weer in genade aangenomen. Nu is het echter menens. Met de vaatwasser dan. De televisie mag blijven, maar dan alleen voor de publieke omroepen.

We zijn nu drie weken thuis en ik doe het graag, afwassen. En het liefst alleen. Doordeweeks twee keer, in het weekend drie keer per dag. 's Ochtends, 's middags en 's avonds. Mijn vrouw biedt meestal wel aan om te helpen met afdrogen, maar dat wil ik niet. Afwassen, afdrogen, opruimen, ze horen bij elkaar, deze drie verschillende handelingen vormen samen één geheel. En wat een overzichtelijke bijkomstigheid is, is dat deze handelingen altijd in dezelfde volgorde gedaan moeten worden, net zoals douchen, afdrogen en aankleden. Een andere volgorde is uitermate onhandig.

Door het afwassen heb ik ook weer aandacht en oog voor onze borden en het bestek. Communicatie creëert verbondenheid. Niet dat ik tegen de vorken sta te babbelen of de dag doorneem met de lepels, maar het geeft een zekere rust het eetgerei eens rustig door je handen te laten gaan en het vervolgens schoon en droog in de bestekbak terug te leggen. Ik heb de bloemetjespatronen op onze oude Franse borden nooit zo bestudeerd, maar nu zie ik hoe mooi ze eigenlijk zijn.
Op de onderkant ontdekte ik stempels met de naam en plaats van de fabricanten. Saint-Amand-les-Eaux, Lunéville, Longwy, Badonviller. Dat vroeg om een onderzoek naar hun herkomst.

Hamage & Moulin des Loups, een groene stempel met een molen, is een keramiekfabriek die in 1705 zijn oorsprong vond in Saint-Amand-les-Eaux, in de regio Nord-Pas-de-Calais. De plaats ligt in een omgeving die ideaal was voor het vestigen van een aardewerkfabriek. Rivieren en wegen voor de aan- en afvoer van het materiaal en bossen waarmee de ovens verwarmd konden worden.

Lunéville (Demi-porcelaine Lunéville), Longwy en Badonviller liggen alle drie in het departement Meurthe-et-Moselle, in de regio Lorraine in het Noordoosten van Frankrijk. Deze streek heeft een lange traditie van aardewerkfabrieken die terugvoert tot het begin van de achttiende eeuw. In 1728 vestigt Jacques Chambrette de eerste aardewekfabriek in Lunéville, langs de rivier La Meuse (de Maas). Overal in deze bosrijke regio, de bomen geven een prima opbrengst voor de bakovens, wordt in die tijd aardewerk gemaakt: naast de al genoemde plaatsen ook in Saint-Clément, Pexonne, Niderviller en Sarreguemines.

De aardewerkfabriek van Badonviller is ontstaan nadat Nicolas Fenal, die sinds 1828 eigenaar van een fabriek in Pexonne was, zijn fabriek in 1897 verplaatst naar Badonviller. In 1887 werkten er 370 arbeiders in Pexonne, wat wel aangeeft hoe groot de fabriek was. De verhuizing naar Badonviller was dan ook opvallend, helemaal omdat er geen van de noodzakelijke grondstoffen voor het maken van aardewerk aanwezig waren: geen klei, geen kalk, geen kaolien. Toch lukte het Nicolas Fenal, en later zijn zoon Édouard, die ook de fabrieken in Lunéville en Saint-Clément kocht, om er een florerende fabriek van te maken.

Voilà, het begin van de geschiedenis van onze borden is er. Dat eet toch anders, nu ik iets van hun achtergrond weet. De meeste fabrieken uit die tijd zijn inmiddels gesloten, onze borden komen waarschijnlijk uit de laatste productiejaren en zullen ongeveer tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn. Het liefst spring in nu in de auto om naar Noord-Frankrijk te rijden en de plaatsen en de oude fabrieken te bezoeken, of wat daar nog van over is.

Nooit gedacht dat ik me ooit zou interesseren voor aardewerk.

De vaatwasser had mij deze geschiedenis overigens nooit geleerd.

Ik dek alvast de tafel voor het middageten met de zojuist afgedroogde borden van het ontbijt. Twee borden uit Saint-Amand-les-Eaux, één uit Lunéville en één uit Longwy. Want dat is ook het mooie van afwassen, dat het zowel de afronding van als de voorbereiding op een maaltijd is.


Honfleur en Le Havre, Boudin en
  augustus 2009
door Martijn Couwenhoven

Op de heenreis naar onze zomerbestemming in Bretagne overnachten we op de camping in het mooie Honfleur. Staand aan de monding van de Seine kijk je uit op de havens van Le Havre, de grootste stad van Normandië, ontstaan in de Middeleeuwen; de stad waar Claude Monet opgroeide. 
Niet dat hij er een vervelende jeugd had, maar Monet verveelde zich nogal in Le Havre. In een stad waar voornamelijk zakelijk denken gestimuleerd werd, voelde deze jonge creatieve geest, die bovendien wars van regels was, zich niet echt thuis. Zijn verblijf op school, dat hij vergeleek met een gevangenis waar hij niet meer dan vier uur per dag kon doorbrengen, was ook geen succes. Maar we mogen blij zijn dat hij uitgerekend dáár was, aan zee, wat een prima plek was om je te gaan vervelen, want het was de verveling die tot creativiteit leidde en hem aanmoedigde om te gaan tekenen. Toen hij een jaar of vijftien was begon hij karikaturen te tekenen van zijn klasgenoten. Een paar jaar later, in 1857, inmiddels geld verdienend met de karikaturen van de burgerij in Le Havre, was zijn reputatie als karikaturist gevestigd.
Zijn werk werd nu voor het eerst tentoongesteld, bij de plaatselijke lijstenmaker, naast het werk van Eugène Boudin. Boudin, begin dertig en afkomstig uit Honfleur, herkende in de tekeningen het talent van de jonge Monet en nodigde hem uit om met hem te werken in de buitenlucht. Toen Monet de tachtig al gepasseerd was, zei hij over die periode: "Boudin zette zijn ezel neer en ging aan het werk. Ik begreep ineens wat schilderen kon zijn... mijn lotsbestemming als een schilder openbaarde zich voor me. Als ik inderdaad een schilder ben geworden, dan dank ik dat aan Eugène Boudin. Dankzij hem gingen mijn ogen open en begreep ik de natuur."
Ik ken één zwartwitfoto van Monet uit die tijd. Een jaar of negentien zal hij zijn geweest, mooi in een donker pak, met een wollen gilet, witte blouse, sjaaltje om de nek, linkerhand in de zak van zijn broek, en zo een beetje hautain van de camera wegkijkend. En: baardloos. Dat was wat me nog het meeste opviel. Natuurlijk had hij op die leeftijd nog geen baard, slechts lichte haargroei op zijn bovenlip wat het begin van een snor zou kunnen zijn, hooguit. Maar die baard is later juist zo karakteristiek voor hem geworden, zoals bijvoorbeeld de steek dat voor Napoleon is. Maar de baard zat toen waarschijnlijk nog in de keel van deze jongeman, die het inmiddels wel gezien had in Le Havre en tegen de zin in van zijn vader naar Parijs vertrok om uit te groeien tot een van 's werelds meest bewonderde kunstenaars.


Piaf
  juli 2009
door Martijn Couwenhoven

Een serie van vierenvijftig liefdesbrieven van de Franse zangeres Edith Piaf hebben deze week 67.000 euro opgebracht bij veilinghuis Christie's in Parijs. Ze werden via de telefoon gekocht door een onbekende bieder. Ik kan u verzekeren: ik was het niet.
De brieven, geschreven tussen 15 november 1951 en 18 september 1952, waren gericht aan de Franse wielerkampioen Louis Geradin. Weinig te vinden op internet over deze Geradin. Alleen een kaart uit 1936, van een door Nestlé uitgegeven serie met wielrenner als Jacobus Van Egmond en Joseph Scherens. De relatie tussen Piaf en Geradin eindigde in 1952 toen de zangeres trouwde met de Franse acteur Jacques Pills.
Piaf. Haar aantrekkingskracht blijft groot. Het is de intensiteit waarmee ze haar dagen sleet die intrigeren, de ontembare gepassioneerdheid die ook terug te vinden is in het werk van Camille Claudel, van Boris Vian, of, dichter bij huis, van Herman Brood. Zou een mooi stel zijn geweest, Piaf en Brood.
De lijst met minnaars van Piaf is overigens lang, om op de veiling van de brieven terug te komen. Dus wellicht kunnen we nog veilingen verwachten met brieven aan Paul Meurisse, Henri Contet of Yves Montand, om er een paar te noemen. Er bestaat trouwens een prachtige zwartwitfoto van Piaf en Montand, genomen rond 1946. Een ansichtkaart ervan staat bij ons in de keuken. Een verliefd stel, zittend op de achterbank van een cabriolet. Of in een attractie op de kermis, een reuzenrad wellicht, dat is niet helemaal goed te zien. Wel goed te zien is de vreugde die de twee uitstralen, de jonge twintiger Montand en de bijna tien jaar oudere Piaf. En een gelukkiger kijkende Piaf ken ik eigenlijk niet. Misschien dat de foto daarom zo’n aantrekkingskracht heeft, door het besef dat deze vrouw in haar tragische leven ook mooie momenten heeft gekend, liefde heeft gevoeld, geluk heeft ervaren.
De kaart van Piaf en Montand heeft inmiddels min of meer een troostende werking gekregen, ten minste, ik heb hem die toegewezen, voor als het persoonlijk even minder soepel verloopt. Dan vindt u mij in de keuken en kijk ik naar de kaart en beproef ik mijn geluk.


Paris-sur-Mer
  juni 2009
door Martijn Couwenhoven

De lucht brak open, regenwolken maakten plaats voor helder blauw. De ochtendkou stroomde samen met de regen door de goot van de rue Greuze, richting Trocadero. Ik liep stroomopwaarts naar de bakker voor een stokbrood en vier croissants.
Op de hoek van de rue Greuze en de rue des Sablons, voor café-brasserie Les Sablons, stonden twee mannen met een sigaret in de mond te wachten tot ze naar binnen konden. Het rolluik was al omhoog, en nu ging ook de deur open. Een man met een blauw schort voor, waaronder een flinke buik schuil ging, kwam naar buiten met een vuilniszak. Aan de bar zaten drie mannen druk gebarend te praten, alsof ze de nacht in Les Sablons hadden doorgebracht. En wellicht was dat ook zo.
‘Bonjour patron,’ zeiden de wachtende mannen. De patron knikte, schudde de mannen de hand en ging een deur naast zijn café binnen om de vuilniszak weg te brengen. De mannen gooiden hun peuken in het water in de goot en liepen naar binnen. Parijs ontwaakte.
Via de rue des Sablons liep ik naar Place de Mexico. Het rook er, vreemd genoeg, naar vis. Bij Italiaans restaurant Di Vino stond een witte koelwagen. Een man in een witte overall tilde een witte plastic kist het restaurant binnen, een geurspoor van de zoute zee, van garnalen en oesters achter zich latend, waardoor ik me even in een Normandisch kustplaatsje waande, ver van de stad, waar tractoren op het strand de vissersboten op trailers uit zee reden en de vangst naar de stalletjes op de boulevard brachten.
Dorpse taferelen. Maar ik was in Parijs. Paris-sur-Mer.
Het dorpsgevoel werd nog even aangewakkerd toen een meisje, ze was een jaar of twaalf, in paardrijkleren op een step voorbij kwam. In haar hand hield ze een zweep, aan het stuur hing haar cap. Ze was waarschijnlijk op weg naar de manege in het Bois de Boulogne, niet ver hier vandaan, aan de andere kant van de Périferique. Ze kwam uit de avenue d’Eylau, die loodrecht op de Eiffeltoren afloopt. Door zijn enorm krachtige uitstraling, maar ook ingegeven door het meisje in paardrijkleren, moest ik bij de aanblik van de Eiffeltoren ineens aan een steigerend paard denken. Wellicht werd dat beeld nog eens versterkt doordat de kinderen de dag tevoren in de draaimolen bij de Eiffeltoren zaten, waar op het dak een steigerend houten paard in de rondte draaide.
Het meisje had voor dit alles geen oog, zij had haar step de sporen gegeven, stak het Place de Mexico over en verdween in de rue de Longchamp.



Café Pierre  mei 2009
Daags na het overlijden van Martin Bril ben ik in Parijs. In het appartement waar ik te gast ben hangt in het toilet een aantal van zijn columns. Zittend lees ik over zijn vaste adres in Parijs, café Pierre, op de hoek van de rue Beaurepaire en Boulevard de Magenta, vlakbij Place de la République.
Mijn vaste adres in Parijs is café La Palette in de rue de Seine. Een van de obers lijkt op Louis de Funès, maar alleen qua uiterlijk; de man is de rust zelve en serveert je je glas als was het een bonbonnetje.
Tijdens dit bezoek zal mijn vaste adres echter café Pierre zijn.
Niet veel later steek ik Place de la République over en loop naar café Pierre. Ik neem plaats aan het ronde tafeltje aan het raam en bestel een Kronenbourg.
Het eerste boek dat ik Martin Bril las was Voordewind. Ik kocht het destijds, het zal in 1992 zijn geweest, in de ramsj bij modern antiquariaat Van Gennep op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Ik had het boek opgepakt van een tafel in het midden van de winkel omdat de titel me aansprak. Voordewind. Ik was twintig en bezong het leven meestal met het gevoel van Tegendewindin. Toen ik na een half uur een stijve nek kreeg van het staand lezen, besloot ik het te kopen. 
Ik herinner me nog dat ik me vlak na dat besluit bemoeide met de keuze van een klant. Het was een meisje van mijn leeftijd, ze had geen verstand van boeken, zei ze tegen de verkoper, desalniettemin zocht ze een leuk boek, voor haar vriend.
Met de ene hand in mijn nek en in de andere Martin Bril raadde ik haar aan Voordewind te kopen. Maar de verkoper keek me geïrriteerd aan en zei dat hij dat nu juist géén bijzonder boek vond. Hij drukte haar dan ook een ander boek in handen, een boek dat híj goed vond.
Even later stond het meisje naast me bij de tramhalte, het zojuist gekochte boek ingepakt onder haar arm. Ik vroeg of ze werkelijk indruk wilde maken op haar vriendje. Ze keek me vertwijfeld aan. De tram kwam ondertussen rinkelend over het Spui aangereden. Nu kon ze nog met me ruilen, hield ik haar voor, maar dan wilde ik wel graag haar bon erbij.
Ze zwaaide dankbaar naar me vanachter het raam toen de tram richting de Dam vertrok. Ik zwaaide tevreden terug, stak de straat over en betrad glimlachend de treden naar de voordeur van Van Gennep.
Terug naar café Pierre. Ik bevind me inmiddels op het toilet. Hier stond Bril ook, en niet eens zo lang geleden nog. Witte, rode en gele muurtegels. Er hangen geen columns. Ik blijf staan deze keer.


In het spoor van Monet
 (2)  april 2009

Naar aanleiding van de column van vorige maand - zie In het spoor van Monet (1) - ontving ik een intrigerend mailtje:
"Geachte heer Couwenhoven,
Bijgevoegd vindt u een foto van een schilderij, recentelijk gemaakt door Gena Webb, een Engels schilderes, woonachtig in Zuid-Frankrijk. Voor dit schilderij heeft zij zich laten inspireren door een bezoek aan het huis van de schilder Monet, waar zij enkele foto's van de vijver in de tuin heeft genomen. Nadat zij het schilderij thuis had afgemaakt zag zij, twee dagen later, een silhouet van een man die sprekend op Monet lijkt, linksonder in het schilderij. Zij vertelde dit aan ons en liet ons het schilderij zien, en wij vonden het frappant. Wij kennen haar heel goed, het is een zeer spirituele vrouw met paranormale gaven, en wij geloven haar voor 100% toen zij ons vertelde dat zij geen idee had hoe dat silhouet erin was gekomen. Ze heeft het er nooit bewust in willen schilderen. Nu zijn mijn broer en ik twee nuchtere Hollanders, maar we vinden dit zo frappant, dat we aan haar hebben voorgesteld dit schilderij mee te nemen naar Holland en dat aan een kunstexperts te laten zien, en vragen wat zijn mening is. Of dit toeval is, vaker voorkomt, of het mogelijk is om dat silhouet opzettelijk/technisch in het schilderij te schilderen? Wij zenden u dit toe omdat u als Monet- en kunstkenner over een dergelijke verschijning van Monet op het schilderij wellicht uw oordeel wilt geven. "
Ik bekeek de meegezonden foto en zag inderdaad een gestalte die aan de beschrijving van Monet voldoet. Omvang, hoed en baard in orde, ongeveer hoe Claude Monet er in 1920 op tachtigjarige leeftijd uitzag. Maar zou de trotse Claude Monet een schilderij van, met alle respect, Gena Webb verkiezen om zich aan de mensheid te tonen? Nee, ik denk dat hij voor zijn rentree het bruisende kunsthart van Parijs zou kiezen, een van zijn waterlelieschilderijen in de Tuilerieën bijvoorbeeld.
Alhoewel ik niet geloof in dergelijke verschijningen, bleef ik er toch een tijdje over nadenken. Want waarom zou Gena, die blijkbaar toch een status als zeer spirituele vrouw met paranormale gaven heeft, waarom zou ze die status middels bedrog op het spel zetten? Niemand zou haar bij ontmaskering immers nog serieus nemen. Is de verschijning dan toch echt is en dus wonderbaarlijk? Of heeft Gena, op de zoek naar de grenzen van haar werkelijkheid, het risico ontmaskerd te worden voor lief genomen? Oordeelt u zelf...


In het spoor van Monet
(1)    maart
Het is niet mijn gewoonte om de loftrompet te steken over mijn eigen werk, maar de uitgave van het boek In het spoor van Monet vervult mij toch met enige trots. 
In het spoor van Monet bevat naast columns vooral verhalen die ik de afgelopen jaren schreef over de bezoeken, meestal in het gezelschap van mijn vrouw, aan Frankrijk, verhalen over de plaatsen in Normandië waar Claude Monet (Parijs, 1840 - Giverny, 1926) heeft gewoond en geschilderd. Giverny en kustplaatsen als Pourville en Varengeville. Maar ook (de musea in) Parijs uiteraard,  en Zaandam, mijn woonplaats, waar ook Monet in 1871 enkele maanden verbleef. Hij schilderde er onder andere de molens aan de Achterzaan. Een van die molens, De Jonker, was in het bezit van mijn overgrootvader, de laatste molenaar van onze familie. Hij ging failliet door de komst van de fabrieken, waarmee een molenaarstraditie eindigde die terugvoert tot de 17e eeuw.
Wijnspecialist en Frankrijkliefhebber Hubrecht Duijker schreef in februari op zijn website:
"Wijn komt er nauwelijks in ter sprake, maar mijn favoriete Franse impressionist wel: Claude Monet. Vandaar dat ik graag enkele woorden wijd aan In het spoor van Monet, een klein, kostelijk boekje van Martijn Couwenhoven. Naast een aantal luchtige, columnachtige verhalen bevat dit acht hoofdstukken gewijd aan plekken waar Monet gewoond en gewerkt heeft, alsmede aan enkele musea waar zijn werken hangen. Alles leest heel prettig, en je krijgt hevige aandrang om Monet zélf te gaan volgen, in het spoor van Couwenhoven."
Een kostelijk boekje, schrijft Hubrecht Duijker. Ik heb het woord kostelijk lang niet gehoord. Mijn vader gebruikt het ook bij tijd en wijle. In de jaren zestig hebben ze enige tijd op hetzelfde reclamebureau gewerkt, dus toen moet dat woord in zwang zijn geweest.
Toen ik mijn vader mailde dat Hubrecht Duijker aandacht aan mijn boek had besteed, vroeg hij mij de groeten over te brengen. Dat deed ik per mail, waarop Hubrecht antwoordde dat hij mijn vader nog als de dag van gisteren voor zich zag.
'Zei hij dat?' zei mijn vader toen ik hem dat mededeelde. 'Kostelijk.'
Tot zover de loftrompet.
Ik zou zeggen: bestel en lees dat kostelijke boek!


Terwijl in Frankrijk honderdduizenden mensen de straat op gingen om te protesteren tegen de manier waarop Sarkozy de economische crisis aanpakt, kondigde de Franse president aan dat  de musea voor bezoekers tot 25 jaar gratis toegankelijk worden. Want ondanks de economische crisis was 2008 voor Frankrijk in cultureel opzicht een absoluut recordjaar.
Al zo'n anderhalf jaar klagen de Fransen over hun teruglopende koopkracht, zeker sinds de economische crisis. Vandaar dat het nieuws van de culturele records met enige verbazing bekend werd gemaakt. Boeken, films, muziek - in alle disciplines werden successen geboekt.
Neem bijvoorbeeld de film Bienvenue chez les Ch’tis (zie ook Cinéma op deze site). Met meer dan twintig miljoen bezoekers de best bezochte Franse film aller tijden (La Grande Vadrouille uit 1966, met Louis de Funès, trok ruim 17 miljoen bezoekers). Bienvenue chez les Ch’tis zou een reactie zijn op de permanente depressie waarin Frankrijk lijkt te verkeren. De komedie van acteur-regisseur Dany Boon, die speelt in een vergeten uithoek van het land, heeft een snaar in het Franse gemoed geraakt. Bij de Ch’tis dus – een ook in Frankrijk tot voor kort vrijwel vergeten naam die staat voor zowel de noorderlingen uit de oude mijnstreek als hun taal. De gevolgen zijn te zien in Bergues, een vestingstadje tussen Duinkerken en België, waar de film zich afspeelt. Bergues wordt sinds de film overspoeld door toeristen. Vorig jaar kwamen er volgens het Office du Tourisme 500 gasten in een maand, nu komen er 1.000 op één dag.
Ook de musea kenden een goed jaar. Het Louvre trok 200 duizend bezoekers méér dan in 2007: 8,5 miljoen. In het Centre Pompidou kwamen 2,75 miljoen bezoekers. En ook musea buiten Parijs maakten een groei bekend. Volgens Marie-Christine Labourdette, directeur van de gezamenlijke Franse musea, spoort de crisis de mensen aan zich naar veilige plekken te spoeden. "De wereld verandert, de toekomst baart zorgen. De onaantastbaarheid van kunstwerken en de stabiliteit van musea werken dan geruststellend."
Et voilà. Voor Fransen is cultuur net zo vanzelfsprekend als eten en drinken, het is een belangrijk onderdeel van het leven en daar geniet je van, en dus het laatste waar op bezuinigd wordt. Crisis of niet.


Henri Matisse
  januari 2009
Het nieuwe jaar dampt nog na van het verlaten van het oude en de eerste reis naar Frankrijk is al gepland: we gaan naar Le Cateau-Cambrésis.
Le Cateau-Cambrésis ligt in de regio Nord-Pas-de-Calais en heeft rond de 8000 inwoners. Op de valreep van 1869, namelijk op 31 december, werd in Le Cateau-Cambrésis Henri Matisse geboren. Hij is de reden van onze reis naar Noord-Frankrijk.
Matisse stond in 1952, twee jaar voor zijn dood, een groot aantal werken af aan zijn geboorteplaats, die in het stadhuis tentoongesteld werden. In 1982 werd het museum tijdelijk verplaatst naar het oude paleis van de aartsbisschoppen van de stad Cambrai en na een grondige restauratie werd het Musée Matisse in 2002 heropend. Het bevat circa 170 werken van de grondlegger van het Fauvisme en is daarmee  de derde grootste collectie van zijn werken in Frankrijk. Het museum toont een bijzonder overzicht van zijn oeuvre, van zijn allereerste werken uit 1895 tot een volledige zaal die gewijd is aan de studies voor de Kapel van Vence (Matisse ontwierp en beschilderde deze kapel in Zuid-Frankrijk als dank voor zijn verpleging door de zusters van het klooster). De meest intieme ruimte bestaat uit tekeningen die Matisse maakte tijdens zijn studies aan de Academie in de jaren veertig.
Van april tot en met juni wordt de tentoonstelling 'Matisse et L’abstraction' georganiseerd, waarin aan de hand van de vaste collectie van het Matisse museum en van bruiklenen uit private en publieke collecties, getoond wordt hoe het oeuvre van Matisse invloed heeft gehad op de Amerikaanse abstracten. Er worden werken getoond van onder meer Jackson Pollock, Mark  Rothko, Barnett Newman, Sam Francis, Ellsworth Kelly, Frank Stella, Daniel Buren en Blinky Palermo.
Omdat ik het gevoel heb met mijn schilderijen te balanceren tussen Matisse en Monet enerzijds en de zojuist genoemde abstracten anderzijds, is dit een niet te missen tentoonstelling. En het jaargetijde waarin de tentoonstelling valt zit mee: we kunnen er meteen een mooie voorjaarsweek aan vastknopen om Arras te bezoeken, Cambrai of Amiens.
Kunst en vakantie blijven mijns inziens een ideale combinatie. Veel plezier met het boeken van een vakantie voor het nieuwe jaar!


Er waren eens twee vogeltjes 
december 2008
We zitten aan het toetje als mijn zoon vraagt: 'Wie is Julius Caesar?'
Ik slik mijn yoghurt door en slik nog een keer omdat ik niet direct een antwoord heb. Wie is Julius Caesar? Een staatsman die 2000 jaar geleden heeft geleefd en het Romeinse Rijk verder uitbreidde door Gallië te veroveren, het gebied waar Frankrijk ligt.
'Hoezo?' vraag ik terug.
'Omdat iemand me vandaag zo noemde.'
'Julius was een belangrijk man,' zeg ik.
'Een soort koning?'
'Precies!' Ik wend mij tot mijn vrouw. 'Wist je trouwens dat ze dit jaar zijn hoofd op de bodem van de Rhône hebben gevonden?'
'Zijn hoofd?' vraagt mijn zoon met grote ogen.
'Nou ja, niet zijn hoofd, maar een beeld van zijn hoofd, van steen. Julius Caesar leefde héél lang geleden, zo'n tweeduizend jaar.' Ik sta op en loop naar de achterdeur om hout te halen voor de openhaard.
'Ben ik naar hem vernoemd?'
Ik schud mijn hoofd. Nee, dat is hij niet, we vonden het gewoon een mooie naam. Ik loop de tuin in, het buitenlicht gaat automatisch aan. Als ik weer binnen ben staat Julius opgewonden gebarend voor het raam. 'Ik zag de twee koolmezen!'
Er hangen netjes met pinda's op de veranda en er pikken inderdaad twee vogeltjes in het voer. Afgelopen zomer hadden we een nestje van twee koolmezen in het vogelhuis dat aan de schuur hangt. Maar of dit dezelfde zijn, durf ik niet te zeggen.
'Zeg Julius, over namen gesproken, hoe heten de mezen ook alweer?'
'Bonjou en Ooievaar,' zegt hij resoluut.
Ik gooi een blok op het vuur, mijn vrouw vraagt welk boek ze voor moet lezen voor het slapen gaan.
'Ik ken zelf een leuk verhaal,' zegt Julius. 'Mag ik dat vertellen?'
'Vooruit dan maar. Maar daarna ga je echt naar bed. Je zus slaapt al.'
'Dus ik hoef pas naar bed als mijn verhaal klaar is?'
We knikken.
'Echt?'
We knikken nogmaals, aarzelend dit keer, want zijn helderblauwe ogen glimmen en dat betekent dat hij iets slims heeft bedacht. 'Goed dan,' zegt hij, en met een grote glimlach op zijn gezicht begint hij: 'Er waren eens twee vogeltjes, die bouwden samen een nestje. Toen ze in hun nest zaten, vroeg de een aan de ander: "Zal ik je een leuk verhaal vertellen?" En hij begon. "Er waren eens twee vogeltjes, die bouwden samen een nestje..."'


Francois-André Danican Philidor
 
november 2008
Een paar weken geleden stuurde ik een e-mail naar het radioprogramma Brood&Spelen, dat tussen de middag op Radio 4 wordt uitgezonden. Ik vroeg of ze wellicht iets van Francois-André Danican Philidor konden laten horen, omdat ik hem alleen kende van de schaakboeken en niet van zijn muziek. Een paar dagen later kwam een mailtje waarin stond vermeld dat ze graag een deel uit een van zijn werken lieten horen op vrijdag aanstaande, rond 12.45 uur op radio 4.
Francois-André Danican Philidor, geboren in Dreux (Eure-et-Loir, Centre) leefde van 1726 tot 1795. Hij kwam voort uit een geslacht van musici en werd zelf ook musicus van beroep. Van de orkestleden leerde hij op jonge leeftijd schaken, en toen er in Nederland een optreden werd afgelast vanwege het overlijden van een meisje uit het orkest, besloot Philidor zijn geld te gaan verdienen met schaken. Hij wist direct iedereen te verslaan en werd zo een van de beste spelers ter wereld. Er is een opening naar hem vernoemt die een grote rol aan de pionnen heeft toegedicht. "De pion is de ziel van het spel", aldus Philidor.
Het is inmiddels vrijdagmiddag, bijna kwart voor één. We zitten aan tafel, mijn zoon, mijn dochter en ik. Zij eten een broodje pindakaas, ik een mandarijn. We luisteren naar de presentator van Radio 4.
"De verzoekplaat van vandaag, eigenlijk gewoon een vraag, is van Martijn Couwenhoven uit Zaandam. Wat is het geval: Francois-André Danican Philidor is bij Martijn eigenlijk alleen bekend uit de theorieboeken van het schaakspel. Maar Philidor was ook componist, en Martijn, die zou wel eens een muziekstuk van hem willen horen. We hebben iets voor hem uitgezocht om een indruk te geven van deze schaakspelende componist: een deel uit de Carmen Saeculare..."
De muziek wordt gestart. Rustige orkestmuziek, na een halve minuut valt een sopraan in. Ik luister of ik iets van het schaakspel in de muziek van Philidor terug kan horen. De sopraan is de koningin, de orkestleden de pionnen, maar dan wordt de muziek al weer afgekondigd. "Ik hoop dat Martijn Couwenhoven heeft geluisterd", zegt de presentator. Hij heeft geluisterd, en hij was helaas niet gegrepen door de muziek. Hij pakt zijn schaakspel en zet de stukken op het bord om te kijken hoe de opening van Philidor er ook alweer uitzag. Zijn kinderen, met pindakaasomrande monden, pakken ieder een zwarte en een witte pion en vragen of ze ook mee mogen doen met ganzenborden.

Franse herfst oktober 2008
De herfst is, terwijl ik dit schrijf, in alle hevigheid losgebarsten. Er staat een stormachtige wind, regenbuien trekken voorbij. Het is half tien in de ochtend, de lucht is donkergrijs, ik heb de kaarsen op mijn bureau maar aangestoken en er een polonaise van Chopin bij opgezet.
Frankrijk lijkt op dagen als deze, als het onstuimige Hollandse weer het gemoed zijn wil oplegt, altijd ver weg. Maar niets is minder waar, want het beloofd een mooie Franse herfst te worden:
In het Van Goghmuseum bijvoorbeeld is de tentoonstelling Vincent van Gogh en het Franse stilleven te zien. Al vanaf zijn eerste schilderij uit 1881 koos Van Gogh voor het stilleven om bepaalde artistieke vaardigheden onder de knie te krijgen. Toen Van Gogh vijf jaar later naar Parijs verhuisde, begon hij opnieuw met het schilderen van talloze stillevens.
Mocht u in de buurt van Marseille komen, via een heerlijk Kunstarrangement bijvoorbeeld, dan kunt u in het Centre de la Vielle Charité de tentoonstelling van Van Gogh en Monticelli gaan bekijken. De werken van Monticelli, de Grootmeester van de Provençaalse school, waren doorslaggevend voor Van Gogh om in de Provence te verblijven en er op zoek te gaan naar de middagzon die Monticelli "in vol oranjegeel en saffraangeel" schildert, volgens Van Gogh zelf.
Ook de Franse cinéma schotelt ons in oktober weer een mooie film voor: Sagan, een biografisch drama over het bewogen leven van schrijfster Françoise Sagan (Cajarc, 1935 - Honfleur, 2004), die op haar negentiende Frankrijk schokte met haar roman Bonjour Tristesse. Aansluitende leestip: Bij uitgeverij Meulenhoff verschijnt deze maand Een Liefde van Françoise Sagan van Annick Geille, voormalig hoofdredacteur van de Franse Playboy, die een liefdesrelatie met de schrijfster had.
En ten slotte: op 9 oktober is op landgoed Duinlust de opening van een unieke tentoonstelling over chansonnier en dichter Jacques Brel. Het is dan 30 jaar geleden dat Belgische volkszanger overleed.  Er zijn exclusieve foto’s te zien, gemaakt door de vermaarde Franse fotograaf en persoonlijke vriend van Brel, Jean Pierre Leloir.
Et voilà. Mocht u er binnenkort op uitgaan, in Nederland of in Frankrijk, dan wens ik u een mooie Franse herfst toe.


Cello 
september 2008
Alhoewel hij aanvankelijk voor de viool had gekozen, is mijn zoon vorige week begonnen met celloles.
De vioolles zat helaas al vol. Ik bracht hem dit nieuws voorzichtig, omdat ik dacht dat het een grote teleurstelling zou zijn. ‘Maar er is nog wel plaats bij celloles…’ opperde ik. Cello! reageerde hij enthousiast. Dat was toch zo'n grote viool? Dat vond hij eigenlijk nog veel mooier!
Julius is sinds zijn geboorte al gek op strijkinstrumenten. Als hij onrustig was of niet kon slapen, hadden de violen van Vivaldi of de cellosuites van Bach een rustgevende werking op hem. Maar er was één cd in het bijzonder waarbij hij als baby van een paar maanden de oren spitste: de filmmuziek van Yann Tiersen voor Le fabuleux destin d’Amélie Poulain. Bij het horen van de eerste tonen kroop hij snel naar de radio toe om er vervolgens heen en weer wiegend bij te gaan zitten luisteren.
(Ik heb de filmmuziek aangezet en moet meteen denken aan een andere Franse film waarvan de muziek mijn zoon zeker zal aanspreken: Tous les matins du monde, het verhaal van de 17e-eeuwse componist Sainte Colombo, virtuoos bespeler van de voorloper van de cello, de viola da gamba.)
We zagen Le fabuleux destin d'Amélie Poulain overigens in de winter van 2002. We vierden mijn dertigste verjaardag, mijn vrouw was hoogzwanger. Een maand later werd onze zoon geboren. Zou het kunnen, vroegen wij ons af bij het zien van onze wiegende baby, dat hij de muziek al in de baarmoeder in zich had opgenomen? Waarna ik op internet inderdaad las dat het  gehoororgaan al in de 20ste week van de zwangerschap zijn volle volwassen grootte heeft en dus al werkt.
Ik vraag me ineens af hoe ik, als Frankrijkliefhebber en kunstschilder, in de baarmoeder beïnvloed kan zijn. De smaak van wijn, de geur van verf? Ik kan me niet voorstellen dat mijn moeder alcohol dronk tijdens haar zwangerschap, en mijn vader had toentertijd zijn kwasten al aan de wilgen gehangen. Het moet dan toch mijn verwekking in hun 2CV zijn geweest, die gezien de ruimte een enigszins artistieke houding vereiste…


Surfen  augustus 2008
Tijdens de zomervakantie een oude hobby opgepakt: surfen. En dan niet op internet, welteverstaan.
De mogelijkheden in het gedeelte van Bretagne waar we een deel van onze vakantie doorbrachten - het departement Morbihan, waar wij op een camping aan het strand vertoefden - waren legio: kitesurfen, golfsurfen, (strand)zeilen en windsurfen. Deze laatste vorm heeft mijn voorkeur, maar het was alweer zo'n vijftien jaar geleden dat ik voor het laatst op een plank had gestaan, dus met lichte zenuwen begaf ik mij het water op.
Ik was overigens niet de enige die een (nieuwe) hobby had gevonden. Terwijl mijn zoon met drie Belgische broers uren achtereen op het strand stond te vliegeren, mijn vrouw de vele brocantes in de buurt afstruinde, op zoek naar leuke spullen voor de keuken, en mijn dochter zich vermaakte met haar Brabantse vriendinnen met hun "make-upclub" (rode lippenstift, roze nagellak), huurde ik een plank en surfte als een jonge surfgod door de baai.
Nou ja, totdat ik op een rots strandde dan...
Het werd eb, en ik had nog gevraagd aan de jongen van de Mickey Mouseclub waar ik de surfplank huurde of het wel een goed moment was om te gaan surfen. 'Yes (hij wilde graag Engels praten), yes, why not, no prablèm'. Maar tien minuten later had ik dus wel een 'prablèm', want ik viel, zag de rotsen niet die door het terugtrekkende water aan de oppervlakte kwamen en had een diepe snee van vier centimeter in mijn voet. De baai kleurde rood, als er haaien waren geweest...
Nadat ik aan land was gekropen en de jongens van de strandwacht mijn voet hadden verbonden, stapte ik een week later weer op de plank. En daar ging ik weer, met eb deze keer, zodat ik de rotsen kon zien. Het waaide lekker, windkracht 4, vlagen van 5, ik kraaide het uit, het gevoel van de wind en het water en de snelheid van de plank. Het gevoel was terug, het is eigenlijk net als skiën, dat verleer je ook nooit.
Brocante, vliegeren, surfen - volgend jaar weer, dat staat vast. De "make-upclub" gaat echter ook gewoon thuis door: ik schrijf dit, moet u weten, met rode lippen en roze teennagels.


Zomervakantiejuli 2008
Het was een klein bericht in de krant, maar de schok was er niet minder om.
Wat was het geval: het Franse equivalent van Veilig Verkeer Nederland heeft bekend gemaakt dat Fransen massaal rondrijden zonder rijbewijs! Het zou gaan om driehonderdduizend Franse automobilisten, die ondanks een ontzegging uit de rijbevoegdheid, of omdat ze gewoonweg hun rijexamen niet kunnen betalen, de Franse wegen onveilig maken.
'Wat krijgen we nou?!' riep ik geschrokken uit. Mijn vrouw verslikte zich bijna in de olijf die ze zojuist in haar mond had gestopt. 'Rijbewijs?' Ik vertelde het mijn vrouw: 'De Fransen leren volgens de krant weldegelijk autorijden!'
Natuurlijk, na al die jaren raak je wel gewend aan de Franse manier van rijden, en van enige baldadigheid in het verkeer mogen we ze toch wel beschuldigen. Ook u zult toch wel eens hoofdschuddend achter het stuur hebben gezeten als er weer een auto met hoge snelheid op de D937 of de N10 langs kwam zoeven, om vervolgens vlak na een tractor of een convoi exceptionnel weer naar rechts te duiken?
Dat een aanzienlijk deel van deze driehonderdduizend automobilisten zonder rijbewijs bovendien dronken bleek te zijn, zoals het bericht vermeldde, daar schrok ik niet eens zo van. Dat had ik wel in de gaten als we weer eens op de snelweg links werden ingehaald,  terwijl we toch ook zelf op de linker rijbaan reden. En dan keek ik vol verbazing naar mijn vrouw en pleitte ik hartstochtelijk voor het invoeren van rijscholen in Frankrijk, en voor het rijexamen in het bijzonder. Maar dat blijkt volgens het bericht dus al te bestaan!
De regering heeft overigens strenge maatregelen aangekondigd: iedereen die zonder rijbewijs rondrijdt, moet ter plekke zijn auto inleveren. Maar aangezien deze maatregelen pas voor volgend jaar gelden, wil ik u aanraden dit jaar nog even goed in de spiegels te kijken. Ik wens iedereen een veilige zomervakantie toe. Maar vooral ook: geniet van Frankrijk én van elkaar.


Frankrijk in huis - Thuis in Frankrijkjuni 2008
Vakantie in Frankrijk vier je in principe het hele jaar door - daarom is het ook zo leuk om deze site te maken. Kunst, literatuur, film, muziek, eten en drinken… Naast de weken die we in Frankrijk zelf doorbrengen, halen we het land gewoon in huis. Het is natuurlijk in eigen land een beetje overleven totdat de vakantie weer aanbreekt, maar gelukkig is in ons land Frankrijk op elk gebied volop vertegenwoordigd. Zo ga ik graag op de fiets naar onze plaatselijke Franse kaas- en wijnboer Le Cockelon, waar de geuren van kaas, wijn, worst en olijven je even op een Frans pleintje doen wanen en de beelden van mannen die Jeu de Boules spelen zich aan je opdringen. Als ik bij thuiskomst de buit voor het weekend heb laten zien, gaat de muziek steeds wat harder en luisteren we naar Piaff, Camille of Olivia Ruiz. Mochten we na een glas Pastis nog zin hebben in een film, dan kijken we naar Camille Claudel, Le Fabuleux Destin d'Amélie Poulain of Jean de Florette. En om Frankrijk helemaal in huis te halen, heb je natuurlijk nog de vele tijdschriften en boeken die er jaarlijks verschijnen. Om uw Franse vakantie in Nederland wat te vergemakkelijken, introduceert opvakantie-frankrijk.nl in samenwerking met de Nederlandse uitgevers het Boek van de Maand. Elke maand wordt er een interessante titel uit het grote literatuuraanbod voor u uitgelicht, waarbij u ook nog eens kans maakt op een gratis exemplaar. Ik hoor inmiddels de eerste tonen van Le petit monsieur triste en de kurk die uit de fles schiet (al kan dat tegenwoordig ook een draaidop zijn), dus ik zou zeggen: Santé, op de Franse vakantie in eigen huis.  

 
Martijn Couwenhoven  Wegens omstandigheden gesloten
De verhalen die in Wegens omstandigheden gesloten zijn opgenomen verschenen tussen 2000 en 2004 als wekelijkse column onder de naam Oevers in het Noordhollands Weekblad. Het verhaal Druppels van zilver, dat ook in deze bundel is opgenomen, werd in 1999 bekroond met de Zaanse Literatuurprijs. Martijn Couwenhoven publiceerde eerder verhalen in literair tijdschrift Nymph en muziekblad That Dam Magazine. Ook was hij te gast in het literaire VPRO programma De Avonden, om er zijn winnende verhaal De hagelwitte gympen van Joost Zwagerman voor te dragen. Daarnaast is hij werkzaam als columnist voor Zaanbodem, de krant over beeldende kunst in de Zaanstreek.
 
omslagfoto Martijn Couwenhoven (polaroid, april 2003, Veules-les-Roses)
ontwerp Martijn Couwenhoven/Bas Mantel >> REV.Laboratories
ISBN 9080925810  |  84 pagina's


Bestellen
Wegens omstandigheden gesloten is het eerste deel uit de oevers-serie en is hier te bestellen.

Prijs: €10,- inclusief verzendkosten
 
home